Eigen maatregelen voor uw pensioen, de slagroom op de taart

Veel mensen hebben tijdens hun leven zelf maatregelen genomen. Simpele manieren om zelf iets te regelen zijn sparen of beleggen. Een spaarloonregeling bij de werkgever is een veelgebruikte methode om ‘iets’ te regelen voor later. Ook het eigen huis kan een aardig kapitaal vertegenwoordigen, dat u na uw 65ste kunt ‘opeten’.

Lijfrente en koopsompolissen

Lijfrenteverzekeringen en koopsompolissen zijn vaak afgesloten als een privévoorziening voor later. Ze zijn aantrekkelijk omdat ze – 
binnen grenzen – aftrekbaar zijn van de belasting. Vroeger waren die grenzen behoorlijk ruim. Tijdens de opbouw is regelmatig (lijfrenteverzekering) of eenmalig (koopsom) geld overgemaakt naar een verzekeraar. Aan het eind van de looptijd keert de verzekeraar een geldbedrag uit, waarmee u een periodieke uitkering dient te kopen, de zogeheten lijfrente. U kunt kiezen tussen een tijdelijke lijfrente of een levenslange.
Het valt niet mee te berekenen hoeveel inkomen u hiervan krijgt. Bij polissen met een gegarandeerd eindkapitaal is het eindresultaat natuurlijk duidelijk, maar een polis kan ook een winstdeling bieden, bovenop een gegarandeerd kapitaal. De verzekeraar zal dan regelmatig een prognose van de eindopbrengst sturen. Mocht het eindresultaat afhankelijk zijn van een beleggingsresultaat, dan krijgt u hiervan ook regelmatig bericht.
Maak op basis van die prognoses zelf een schatting van het totale eindkapitaal. Blijf aan de voorzichtige kant. U kunt hierbij assistentie inroepen van uw tussenpersoon of verzekeraar. U telt alle polissen op en met dat geld kunt u straks een uitkering kopen. Een vuistregel is dat u als 65-jarige per 100.000 euro kapitaal een levenslange uitkering van bruto 9.000 euro per jaar (mannen) of 7.300 euro (vrouwen) kunt kopen. Vrouwen leven gemiddeld langer dan mannen, daarom het verschil. Bent u man, en heeft u 225.000 euro kapitaal, dan kunt u een levenslange uitkering kopen van 20.250 euro. Tijdelijke uitkeringen zijn hoger, naarmate de looptijd korter is.

Overige inkomsten

Wellicht bent u van plan na uw 65ste te (blijven) werken. Die verdiensten vormen natuurlijk ook een inkomstenbron. Anders dan sommigen wellicht denken, mag u gewoon doorwerken na uw pensionering. Dat wordt niet gekort op uw pensioen of uw AOW. Daarnaast kunt u interen op uw spaargeld en beleggingen. Van een ton aan spaargeld, tegen een rente van 3 procent, kunt u ieder jaar een kleine 7.000 euro opnemen. In twintig jaar is het geld dan op.

Van bruto naar netto

Over uw AOW, aanvullend pensioen en lijfrente betaalt u belasting. Voor 65-plusers is het tarief in de eerste twee schijven een stuk lager, omdat zij geen AOW-premie hoeven te betalen.

  • Eerste schijf tot € 17.319: 15,75 % (tegen 33,65 % voor 65-minners)
  • Tweede schijf van € 17.319 t/m 31.122: 23,50 % loonbelasting en premies (tegen 41,40 % voor 65-minners)

Daarboven betaalt iedereen (tot € 53.064) 42 procent en (boven de 
€ 53.064) 52 procent loonbelasting.

Bereken uw AOW-gat

Geboortedatum oudste partner
  
01n02n03n04n05n06n07n08n09n10n11n12n13n14n15n16n17n18n19n20n21n22n23n24n25n26n27n28n29n30n31n 01n02n03n04n05n06n07n08n09n10n11n12n 2011n2010n2009n2008n2007n2006n2005n2004n2003n2002n2001n2000n1999n1998n1997n1996n1995n1994n1993n1992n1991n1990n1989n1988n1987n1986n1985n1984n1983n1982n1981n1980n1979n1978n1977n1976n1975n1974n1973n1972n1971n1970n1969n1968n1967n1966n1965n1964n1963n1962n1961n1960n1959n1958n1957n1956n1955n1954n1953n1952n1951n1950n1949n1948n1947n1946n1945n1944n1943n1942n1941n1940n1939n1938n1937n1936n1935n1934n1933n1932n1931n1930n1929n1928n1927n1926n1925n1924n1923n1922n1921n1920n

 Geboortedatum jongste partner
  
01n02n03n04n05n06n07n08n09n10n11n12n13n14n15n16n17n18n19n20n21n22n23n24n25n26n27n28n29n30n31n 01n02n03n04n05n06n07n08n09n10n11n12n 2011n2010n2009n2008n2007n2006n2005n2004n2003n2002n2001n2000n1999n1998n1997n1996n1995n1994n1993n1992n1991n1990n1989n1988n1987n1986n1985n1984n1983n1982n1981n1980n1979n1978n1977n1976n1975n1974n1973n1972n1971n1970n1969n1968n1967n1966n1965n1964n1963n1962n1961n1960n1959n1958n1957n1956n1955n1954n1953n1952n1951n1950n1949n1948n1947n1946n1945n1944n1943n1942n1941n1940n1939n1938n1937n1936n1935n1934n1933n1932n1931n1930n1929n1928n1927n1926n1925n1924n1923n1922n1921n1920n

 Heeft de jongste partner inkomen?
  
JaNee

Zijn deze inkomsten uit tegenwoordige arbeid?
  
JaNee

 Hoe groot is het bruto maandinkomen
€  bruto

 Hoogste IB tarief oudste partner in 2015 (dus na pensioen)
  
15,55%24,05%42,00%52,00%

  

Dat betekent voor u:

 

Uw pensioen: informatie op internet

AOW


Een pensioen kan uit meerdere delen bestaan. In de eerste plaats is er de AOW voor iedereen die in Nederland gewoond of gewerkt heeft. Daarnaast is er nog het aanvullende pensioen dat u opbouwt tijdens uw werkzame leven. De AOW -Algemene Ouderdomswet- valt onder de zogenaamde volksverzekeringen. Dat wil zeggen dat deze uitkering wordt bekostigd uit belastinginkomsten en dat iedereen die in Nederland gewoond of gewerkt heeft, recht heeft op deze uitkering vanaf zijn 65-ste.

U hoeft zich dus niet apart zelf te verzekeren als u aan deze voorwaarden voldoet. De uitvoerende organisatie voor de AOW is de Sociale Verzekeringsbank, die namens de Nederlandse overheid bepaalde uitkeringen verzorgt. Op de website van de SVB vindt u dan ook meer informatie over de AOW: www.svb.nl.

U gaat direct naar de hoofdpagina voor AOW-informatie als u op de link AOW-pensioen klikt. Op dit gedeelte van de website kunt u niet alleen uitgebreide informatie over de AOW lezen, maar ook vragen stellen via het digitaal loket rechts op de pagina. Daarnaast zijn via de website brochures te bestellen en wijzigingen in uw persoonsgegevens door te geven.

Nog meer informatie in eenvoudige bewoordingen over de AOW vindt u op de website www.kennisring.nl. Klik daar onder Sociale zekerheid op Ouderen. Klik vervolgens op AOW en u kunt de antwoorden op een aantal hoofdvragen terugvinden.

Aanvullend pensioen

Behalve het AOW-basispensioen bestaat er ook nog het aanvullend pensioen. Dit aanvullend pensioen zorgt voor een extra uitkering bovenop de AOW. Het kan op verschillende manieren worden opgebouwd. Vaak verplicht via de werkgever, waarbij een deel van het salaris maandelijks in een pensioenfonds wordt gestort. Werknemers die niet verplicht een aanvullende pensioenpolis hebben of ondernemers moeten zelf een aanvullende pensioenvoorziening regelen.

De voor de hand liggende plek om meer informatie daarover te vinden, is de website van de pensioenuitvoerder. Naast allerlei informatie over de mogelijke aanvullende pensioenen, vindt u op zo’n website ook de nodige contactgegevens voor het verder stellen van vragen. Een goed voorbeeld van een grote pensioenverzekeraar is te vinden op www.pggm.nl.

Voor aanvullende pensioenen die u zelf moet regelen, gaat u naar een van de vele verzekeringsmaatschappijen in Nederland, bijvoorbeeld www.aegon.nl of www.rvs.nl. Een uitgebreid overzicht vindt u op pensioen.startpagina.nl onder de kopjes Pensioenfonds, Levensverzekeraars en Vermogensbeheer.

Voor een overzicht van oude, niet meer bestaande pensioenfondsen is een bezoekje aan www.dnb.nl van De Nederlandse Bank een idee. Typ in het zoekenvak ‘register pensioenfondsen’ en klik op het vergrootglas. In de verschenen lijst klikt u op Register pensioenfondsen.

Onafhankelijke informatie

Ook voor onafhankelijke informatie over pensioenen kunt u prima terecht op internet. Bijvoorbeeld op de website: www.pensioenkijker.nl. Deze website wordt onder andere ondersteund door het bekende Nibud: het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting.

Voor een goede pensioenbelangenbehartiging moet u bij de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen zijn op www.pensioenbelangen.nl. Als niet-lid kunt u hier verschillende tips en nieuwsberichten terugvinden. Wie lid wordt, kan rekenen op ondersteuning bij problemen en vragen, een magazine en meer extra’s.

Producten vergelijken die een rol spelen bij de pensioenopbouw is geen slecht idee: dat kan vele euro’s schelen. Een handige vergelijkingssite is te vinden op www.meeroverhouden.nl. Hier zijn financiële bijsluiters van allerlei verzekerings-, spaar- en beleggingsproducten met elkaar te vergelijken. Erg prettig, aangezien bijsluiters niet altijd uitblinken in duidelijkheid. Nog meer informatie over financiële bijsluiters vindt u op www.definancielebijsluiter.nl.

Vergeten pensioenen

Verdwenen of vergeten pensioenen komen regelmatig voor bij mensen die een of meer keer van baan zijn veranderd en daardoor in een andere pensioenregeling terecht zijn gekomen, bij een nieuwe werkgever. Daardoor kunt u later aardig wat pensioeneuro’s mislopen. Er zijn verschillende websites die u helpen deze oude polissen op te sporen.

Om de verzekeringsmaatschappijen van uw oude pensioenpolissen terug te vinden, kunt u eens naar www.rensen.nl/verzekering/polisoude.htm gaan. U heeft het programma Acrobat Reader nodig om de documenten te kunnen lezen (te downloaden via het knopje Get Acrobat Reader).

Ook via www.oudepolis.nl zijn vergeten polissen op te sporen. U kunt dat zelf doen via de link ‘Overzicht oude maatschappijen en hun rechtsopvolgers’ of het werk voor u laten doen tegen een vergoeding.

Klachten over pensioenen

Er gaat weleens iets mis bij de opbouw of uitbetaling van een pensioen. Er zijn gelukkig een aantal organisaties waar u met uw pensioenklachten terecht kunt. In eerste instantie moet u bij een klacht contact opnemen met het betrokken pensioenfonds of de betrokken verzekeringsmaatschappij.

Komt er op die manier geen oplossing, dan kunt u voor verzekeringsmaatschappijen daarna terecht bij www.kifid.nl/consumenten. Voor pensioenfondsen is naar de Ombudsman Pensioenen stappen op www.ombudsmanpensioenen.nl aan te raden.

Er is nog steeds veel te doen over de beruchte woekerpolissen: beleggingsverzekeringen waarbij het beloofde rendement niet werd en wordt gehaald door verborgen gehouden kosten van verzekeringsmaatschappijen. Meer over dit soort polissen en hoe u hierbij verloren geld terug kunt proberen te krijgen, leest u op www.woekerpolisclaim.nl.

Lees ook

Banksparen

Banksparen is een vorm van sparen in Nederland, waarbij het spaarbedrag op een geblokkeerde rekening bij een bank wordt gestort: de bankspaarrekening. Het spaartegoed is pas na een bepaalde tijd en voor bepaalde doelen op te nemen. Bij banksparen maakt de spaarder gebruik van een belastingvoordeel als het spaarbedrag gebruikt wordt voor:

In Nederland is het sinds 1 januari 2013 verboden dat een financieel adviseur provisie ontvangt van de aanbieder als een klant via hem of haar een complex financieel product afneemt. De klant kan zich laten adviseren en daarvoor provisie betalen, of een bankspaarovereenkomst aangaan zonder advies (execution only).

Inhoud

[bewerken] Geschiedenis

Banksparen is sinds 1 januari 2008 mogelijk[1] na een wetsvoorstel van Staf Depla (PvdA) en Bibi de Vries (VVD). De Tweede Kamer heeft op 5 juli 2007 ingestemd met het wetsvoorstel, en de Eerste Kamer op 12 december 2007.

Bij het Belastingplan 2010 is de bankspaarvariant voor stamrechten voor ontslagvergoedingen (stamrechtspaarrekening), en voor uitvaartproducten geïntroduceerd. Het is op 22 december 2009 aangenomen en per 1-1-2010 ingegaan. Door deze verruiming kan o.a. ook een ontslagvergoeding (‘gouden handdruk‘) worden ondergebracht bij de bank, zonder dat er direct inkomstenbelasting betaald dient te worden.

[bewerken] Voordelen

Banksparen is geïntroduceerd om spaarders meer keuzes te bieden om fiscaal gunstig te sparen voor onder andere pensioen en eigen woning. Tegelijkertijd was het de bedoeling om de concurrentie bij financiële aanbieders zoals verzekeringsmaatschappijen te vergroten: verruiming van het aanbod leidt tot een toename van het aantal aanbieders en tot een grotere afname van de producten. Hierdoor zullen de kosten van sparen dalen, wat de consument ten goede komt. Een reden om te gaan banksparen kan zijn dat op banken het depositogarantiestelsel van toepassing is, al is het gegarandeerde tegoed wel aan een maximum gebonden.

[bewerken] Aflossing eigenwoningschuld

1rightarrow.png Zie Aflossing eigenwoningschuld voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Spaarrekening Eigen Woning (SEW) en de Beleggingsrekening Eigen Woning (BEW) zijn vormen van banksparen waarbij het tegoed uiteindelijk in één keer wordt opgenomen voor het aflossen van de eigenwoningschuld. Het rendement is in principe belast in box 1 (art. 116a IB), maar pas aan het eind van de looptijd, en het is meestal geheel of gedeeltelijk vrijgesteld (art. 118a IB). Door het vallen in box 1 vallen ze, ook als ze zijn vrijgesteld, niet in box 3.

Naar aanleiding van het Begrotingsakkoord 2013 is aanhangig de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning volgens welke voor nieuwe hypotheken deze vormen van banksparen worden afgeschaft.

[bewerken] Oudedag

Zie ook Lijfrente (Nederland)

Een bancaire lijfrente is de bankspaarvariant van het zelf fiscaal gefaciliteerd sparen voor de oudedag (het alternatief is de lijfrenteverzekering). De bancaire lijfrente is mogelijk sinds 2008, en heeft noch in de opbouwfase, noch in de uitkeringsfase een verzekeringselement. Tussen de opbouwfase en de uitkeringsfase kan gewisseld worden van een lijfrenteverzekering naar een bancaire lijfrente en omgekeerd.

Banken bieden speciale rekeningen aan voor de bancaire lijfrente, aparte voor de opbouwfase en voor de annuïteit. Sommige banken bieden maar één van de twee.

Over het opgebouwde kapitaal in de opbouwfase en de waarde van de nog te ontvangen uitkeringen in de uitkeringsfase hoeft geen vermogensrendementsheffing betaald te worden.

[bewerken] Opbouwfase

Mits een pensioentekort aangetoond kan worden is de betaalde inleg tot een bepaald maximum fiscaal aftrekbaar in box 1 als uitgaven voor inkomensvoorzieningen.

Deelname kan met een speciale geblokkeerde spaarrekening (lijfrentespaarrekening) of geblokkeerde beleggingsrekening (lijfrentebeleggingsrecht). De term “lijfrente” wordt hier gebruikt hoewel het geen verzekering is.

[bewerken] Uitkeringsfase

Het opgebouwde kapitaal wordt aangewend voor een recht op een periodieke uitkering gedurende een bepaalde periode (annuïteit); deze periode hangt niet af van het in leven zijn van de verzekerde: het recht gaat bij overlijden over op de erfgenamen. Over de uitkering dient inkomstenbelasting betaald te worden, deze valt onder de periodieke uitkeringen en verstrekkingen in box 1.

Eisen:

  • de eerste termijn wordt uitgekeerd uiterlijk in het kalenderjaar waarin de 70-jarige leeftijd wordt bereikt
  • ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd vóór het kalenderjaar waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt, bedraagt de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 20 jaar, vermeerderd met het aantal jaren dat de verzekeringnemer jonger is dan 65 jaar ten tijde van het uitkeren van de eerste termijn (ruwweg: minstens tot 85-jarige leeftijd)
  • ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd na het kalenderjaar waarin de 64-jarige leeftijd wordt bereikt, bedraagt de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar niet meer beloopt dan € 19 761, en ten minste 20 jaar bedraagt indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar meer beloopt dan dat bedrag

Net als bij een lijfrenteverzekering bestaat ook bij een lijfrentespaarrekening en een lijfrentebeleggingsrecht het gevaar dat men door een verkeerde berekening van de aftrekruimte een storting zou kunnen doen die niet aftrekbaar is, terwijl de uiteindelijke uitkeringen wel belast zijn. Bij een beperkte afwijking biedt de beperkte saldomethode uitkomst.

Bronnen, noten en/of referenties

  1. Wet van 20 december 2007, houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake fiscale facilitering banksparen ten behoeve van pensioenopbouw of aflossing eigenwoningschuld, Stb. 577. Het oorspronkelijke wetsvoorstel had de titel Voorstel van wet van de leden Depla en B. M. de Vries houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten om te komen tot aftrekbare uitgaven voor oudedagvoorzieningen via een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht omdat pas bij de eerste nota van wijziging banksparen voor aflossing van de eigenwoningschuld erbij kwam (Kamerstukken 30432).



This article uses material from the Wikipedia article Banksparen, which is released under the Creative Commons Attribution-Share-Alike License 3.0.

Naast banksparen kan het verstandig zijn een uitvaartverzekering af te sluiten om hier de onvoorziene kosten van een uitvaart mee te dekken.

Pensioen

Pensioen is een inkomen voor de tijd dat men niet meer werkt op latere leeftijd (ouderdomspensioen) of niet meer kan werken wegens arbeidsongeschiktheid (arbeidsongeschiktheidspensioen, invaliditeitspensioen). Vaak maakt ook een uitkering aan achterblijvende partners en wezen (nabestaandenpensioen) deel uit van een pensioenregeling. Daarnaast kunnen pensioenregelingen bepalingen bevatten voor pensioenopbouw in speciale gevallen, zoals militaire dienstplicht, zwangerschap en kortstondige werkloosheid.

 

Inhoud

Pijlerstelsel

In de meeste Europese landen bestaat het pensioenstelsel uit drie ‘pijlers’. In ontwikkelingslanden komt vaak alleen de eerste pijler voor. Een aantal landen heeft een bewust beleid om de tweede pijler niet toe te laten. Voorbeelden zijn Polen, Hongarije en Tsjechië. In de overige landen komen alle drie de pijlers voor, maar hebben ze een verschillend gewicht. In Nederland zijn de gewichten ongeveer 50% voor de eerste pijler, 45% voor de tweede pijler en ongeveer 5% voor de derde pijler. In andere landen hebben de eerste twee pijlers vaak (maar lang niet altijd) samen een gewicht van 50%. Het gewicht van de eerste pijler is een politieke keuze. In landen met een communistische geschiedenis is de eerste pijler vaak kwijnend, in Zuid-Europa is de eerste pijler gewoonlijk dominant (70-90%) terwijl in Noord-Europa de eerste pijler rond 40% in beslag neemt. De grootte van de tweede pijler wordt bepaald door wetgeving, traditie en beleid van de sociale partners. Aangezien de derde pijler de minst economisch efficiënte manier van pensioen opbouwen is, vormt het een restcategorie.

Eerste pijler

De ‘eerste pijler’ is een basispensioen, gewoonlijk door de staat geregeld en gewoonlijk gefinancierd door middel van een omslagstelsel (in Nederland is dit geregeld in de Algemene Ouderdomswet, AOW, in België heet dit het “wettelijk pensioen”). Deze pijler heeft als doel ten minste een basisvoorziening te scheppen waarmee armoede onder ouderen wordt voorkomen. In sommige landen gaat de eerste pijler veel verder dan een basisinkomen, waardoor de rol van de tweede pijler kleiner is.

Nederland: De eerste pijler, de AOW, wordt opgebouwd uit rechten die men verkrijgt voor elk jaar dat men in de 50 jaar voorafgaand aan de uiteindelijk geldende AOW-leeftijd in Nederland verblijft. Men hoeft dus niet werkzaam te zijn. Elk jaar wordt dus 1/50ste, is 2% van de maximaal te halen AOW opgebouwd. Het AOW bedrag is dus een functie van het aantal jaren bijdrage.

België: De eerste pijler wordt opgebouwd uit rechten. Bij het werknemerspensioen geldt elk gewerkt jaar voor 1/45ste. Het maximum is 45/45sten. Het stelsel is een rustpensioen of een overlevingspensioen. Beiden worden in de volksmond ‘het pensioen’ genoemd. Deze breuk bepaalt mede de hoogte van het pensioenbedrag, gebaseerd op de hoogte van de gestorte bijdragen.

Tweede pijler

De ‘tweede pijler’ is een pensioenbedrag, afhankelijk van de keuze van de betrokkene.

Het Nederlandse bestaat uit pensioenrechten, dit zijn rechten die werknemers tijdens hun werkzame leven opbouwen. Dit is wat in de volksmond ‘het pensioen’ wordt genoemd. De premie wordt betaald door werknemer en werkgever samen. Pensioen is een secundaire arbeidsvoorwaarde (uitgesteld loon) waarbinnen een aanvullend pensioen wordt opgebouwd (aanvullend op de AOW), meestal tot de fiscaal toegestane grens (zie fiscaliteit). Pensioen in de tweede pijler wordt dus altijd opgebouwd in de relatie werkgever-werknemer. De tweede pijler wordt gefinancierd door een kapitaaldekkingsstelsel of – veel minder vaak – een omslagstelsel, of een combinatie van beide. Het pensioen is bedoeld als aanvulling op de AOW-uitkering, maar gaat niet noodzakelijk tegelijk in.

In sommige landen (Duitsland, Portugal, VS) wordt nog de boekreserve gebruikt als financieringssysteem. Omdat dit systeem riskant is voor de begunstigden loopt het gebruik er van steeds meer terug. Bij een kapitaaldekkingsstelsel bouwt een werknemer in principe zijn eigen ‘spaarpot’ op, waaruit later het pensioen wordt uitgekeerd. Het doel van de tweede pijler is om, samen met de eerste pijler, een redelijk inkomen te geven aan ouderen dat is gerelateerd aan het gedurende het werkzame leven genoten salaris. In Nederland is dat meestal 70% van het gemiddeld verdiende salaris (middelloonsysteem) of, inmiddels zeldzamer, van het laatst verdiende salaris (eindloonsysteem). Die 70% wordt behaald door de AOW en het zelf opgebouwde pensioen bij elkaar op te tellen. Pensioengrondslag is het pensioengevend salaris minus de zogenoemde franchise, over die franchise wordt geen pensioenpremie betaald.

Een tweedepijlerpensioen van een kapitaalgedekt pensioenfonds kan ook worden gespaard via het beschikbare-premiesysteem, het verzekeren van een pensioenkapitaal of het beschikbare-uitkeringssysteem. Ook de zeldzame vastebedragenregeling wordt tot deze categorie gerekend.

De Belgische ‘tweede pijler’ zijn de systemen van aanvullend pensioen die door de werkgever gefinancierd wordt (toelage genoemd) in uitvoering van de ‘WAP’. Indien het voorzien is, kan en moet de werknemer ook een premie betalen (bijdrage genoemd). De werkgever heeft een grotere vrijheid indien er geen bijdrage betaald wordt door de werknemer. Beiden kunnen met een pensioenfonds (georganiseerd door de inrichter) of met een groepsverzekering (bij een verzekeringsmaatschappij).

Het pensioenplan is met vaste bijdrage (het pensioen onder vorm van kapitaal of rente zal afhangen van de grootte van de bijdragen), met vaste prestatieplan of te bereiken doel (doorgaans uitgedrukt als percentage van het loon) en tenslotte een mengvorm van de beide vorige. De uitbetaling gebeurt ofwel in rente, waarbij er keuze kan zijn in de periodiciteit (van maandelijks tot jaarlijks) of in een eenmalig kapitaal. Als het plan voorziet in kapitaal, kan men dit kapitaal laten omzetten in een levenslange rente met kapitaalsafstand. De overheid bevordert de uitbetalingen in rente. De omzettingscoëfficiënt is echter vrij nadelig (14,98 voor een man op de leeftijd van 65 jaar), bovendien is er ook geen indexatie. Hierdoor wordt zelden voor de rente gekozen.

Daarnaast bestaat ook het (fiscaal interessante) pensioensparen, waarbij bij pensioengerechtigde leeftijd een eenmalig bedrag wordt uitgekeerd.

Derde pijler

De ‘derde pijler’ is vrijwillig, alle inkomensvoorzieningen die mensen zelf treffen vallen hieronder zoals lijfrente, levensverzekeringen en inkomsten uit eigen vermogen. Meestal gaat het om commerciële spaarproducten, met of zonder verzekeringselement, met fiscale concessies en beperkingen; voor Nederland zie Lijfrente (Nederland) en Banksparen. De belangrijkste producten voor België zijn: de levensverzekering, pensioensparen en pensioenverzekering. De producten in deze pijler zijn bedoeld voor reparatie van pensioenbreuken en -gaten. Deze ontstaan bijvoorbeeld door het veranderen van baan, verblijf in het buitenland of niet deelnemen aan het arbeidsproces. Zelfstandigen en ondernemers zijn volledig aangewezen op pensioenopbouw in de derde pijler. In deze pijler zijn alle pensioenen kapitaalgedekt en georganiseerd via het beschikbare-premiesysteem. Nationale en internationale waardeoverdracht is in de praktijk vrijwel niet mogelijk. De belangrijkste derdepijlerpensioenvoorzieningen in België zijn: de levensverzekering, pensioenspaarrekening en pensioenspaarverzekering.

Doelmatigheid van het systeem

De doelmatigheid van een pensioensysteem kan worden afgemeten met de deelnamegraad (welk deel van de potentiële deelnemers bouwt een pensioen op) en de ‘vervangingsgraad‘ (welk deel van het inkomen wordt bij pensionering door het pensioen vervangen).

Eerste pijler fondsen zijn meestal nationaal en verplicht gesteld, waardoor een deelnamegraad van bijna 100% wordt bereikt. Tweede pijler fondsen zijn alleen toegankelijk voor wie een betrekking heeft, waaraan een pensioenregeling is verbonden. Als geen begeleidende maatregelen worden getroffen blijkt dat de deelnamegraad blijft steken op 30 – 50%. Matching, een systeem waarbij de werkgever toezegt de besparingen van de werknemer te verhogen met een afgesproken percentage, blijkt nauwelijks een invloed op de deelnamegraad te hebben. In Ierland is de deelnamegraad in de tweede pijler bijvoorbeeld 30%, ondanks subsidies van werkgevers. Wel effectief is de “opt-out” techniek. Dit komt er op neer dat nieuwe werknemers actie moeten nemen om niet aan pensioensparen deel te nemen (bij opt-in moet men juist actie ondernemen om wel deel te nemen). Hiermee kan de deelnamegraad naar rond 70% worden verhoogd. Zeer effectief is verplichtstelling, waardoor de deelnamegraad in Nederland boven de 90% ligt.

De Europese Unie heeft geen regels over verplichtstelling; wel over mededinging, die in principe verplichtstelling onmogelijk zouden maken. In een aantal processen heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bepaald dat verplichtstelling mogelijk is, als het een sociaal nut dient en er geen misbruik van wordt gemaakt. Hoewel hiermee een plaats voor verplichtstelling is geschapen blijft de situatie onstabiel. De uitspraken van het Hof zijn niet gecodificeerd en kunnen dus door een latere uitspraak van het Hof teniet worden gedaan.

De vervangingsgraad is in principe een politieke keuze die uit twee delen bestaat: een gewenste vervangingsgraad (in Nederland 70% voor belasting, wat neerkomt op rond 100% na belasting[1]) en een maximaal fiscaal gefaciliteerde vervangingsgraad (in Nederland 100%). Beide worden vastgelegd met fiscale maatregelen, de maximale jaarlijkse opbouw van de pensioenclaim en de maximale aftrek van betaalde pensioenpremie. In een aantal landen (bijvoorbeeld de Verenigde Staten) is de gewenste vervangingsgraad niet meer dan meetinstrument, maar geen beleidsinstrument.

Pensioengerechtigde leeftijd

In 1889 voerde Otto von Bismarck het eerste wettelijke staatspensioenfonds in. De pensioengerechtigde leeftijd werd gesteld op 70 jaar. Deze leeftijd zakte naar 65 jaar, wat een internationale norm werd. Die leeftijd geldt overigens zeker niet universeel en staat in meerdere landen onder druk. De pensioengerechtigde leeftijd werd na het salaris een van de belangrijke punten van de vakbonden in loononderhandelingen. In communistische landen beijverden de regimes zich om het pensioen vroeger te laten ingaan. Lagere pensioengerechtigde leeftijden werden ook overeengekomen voor groepen met zware banen, zoals mijnwerkers, bemanning van stoomlocomotieven en voor vrouwen. Omdat de pensioengerechtigde leeftijd een product van de klassenstrijd was geworden, werd hij meer en meer vaststaand, ondanks een toenemende levensverwachting en technologische vooruitgang. Bij de vervanging van stoomlocomotieven door diesel- en elektrische locomotieven werd de pensioengerechtigde leeftijd niet aangepast.

Voor Nederland zie onder.

Geslacht

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft bepaald dat een lagere pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen niet verenigbaar is met het Europese non-discriminatiebeleid (voor nieuwe lidstaten geldt een overgangstermijn). Aan de andere kant werd echter ook een hogere pensioenpremie voor vrouwen om dezelfde reden afgewezen, hoewel vrouwen langer leven en dus langer pensioen genieten.

Nederland

Het consultancybedrijf Mercer heeft in 2011 het Nederlandse pensioenstelsel wederom als het beste ter wereld beoordeeld.[2] De Nederlandse pensioenvoorzieningen zijn de hoogste van Europa. [3]

In Nederland is het streefniveau vaak 70% van het laatstverdiende inkomen. Overigens zijn percentages van 35-45% van het laatstverdiende loon waarschijnlijk realistischer. Mensen denken dus een hoger pensioen te krijgen dan werkelijk het geval zal zijn.

Pensioenstructuur

Pensioenfondsen in Nederland zijn ontstaan aan het einde van de 19e eeuw. Het eerste Nederlandse (ondernemings)pensioenfonds werd in 1881 opgericht door de gebroeders Stork. Niet veel later, in 1886, creëerde Jacques van Marken een pensioenregeling voor zijn werknemers in zijn Delftse gist- en spiritusfabriek. Een pensioenfonds voor een gehele bedrijfstak zou nog even op zich laten wachten. Het eerste Nederlandse bedrijfstakpensioenfonds was het in 1917 opgerichte Coöperatief Verzekeringsfonds in Leeuwarden.[bron?] Werknemers in een deel van de zuivelindustrie konden zich bij dat fonds aansluiten.

De pensioenregeling regelt de wijze van opbouw van de pensioenuitkering (of de opbouw van het pensioenkapitaal) uit de tweede pijler. De pensioenregeling moet voldoen aan de dwingende voorschriften van de Pensioenwet. Deze wet vervangt sinds 1 januari 2007 de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW). Verbonden aan de Pensioenwet is een nieuwe methode van de beoordeling van de solvabiliteit van pensioenuitvoerders door de overheid, het Financieel Toetsingskader (FTK).

Pensioen wordt opgebouwd bij pensioenuitvoerders, in Nederland zijn dit pensioenfondsen, pensioenverzekeraars (dit zijn meestal gewone verzekeraars die ook pensioen aanbieden) en Premie Pensioen Instellingen, waaraan de werkgever, de werknemer, of werkgever en werknemer beiden premie betalen. In het algemeen betaalt de werknemer 1/3 van de premie en de werkgever 2/3 maar die percentages kunnen per fonds, verzekeraar of werkgever verschillen. De opgespaarde pensioenpremie zorgt te zijner tijd voor het zogenoemde pensioenkapitaal waaruit het pensioen uiteindelijk wordt betaald. Gedurende de opbouwperiode spreekt men van pensioenreserve. De pensioenopbouw is belastingvrij, in die zin dat het opgebouwde kapitaal niet in box 3 van het Nederlands belastingstelsel wordt belast. De uitkeringen zijn daarentegen belast.

De Pensioenwet verbiedt iedere handeling waardoor pensioenaanspraken of pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen. De Pensioenwet staat slechts in een beperkt aantal situaties toe dat de pensioenreserve wordt overgedragen aan een andere pensioenuitvoerder (pensioenfonds of pensioenverzekeraar), onder andere bij verandering van baan, bij het bereiken van de pensioendatum en bij wijziging van pensioenuitvoerder. Op die manier kan pensioenbreuk in veel gevallen worden voorkomen. In andere landen is dat lang niet altijd het geval. Voor internationale waardeoverdracht gelden tal van barrières, waardoor een succesvolle overdracht vaak niet mogelijk is. De Europese Unie wil hiervoor mogelijkheden scheppen.

Verplichtstelling

In Nederland wordt de tweede pijler pensioenregeling vaak verplicht gesteld om een hoge mate van economische en sociale solidariteit te handhaven. Bovendien kan op deze manier voorkomen worden dat het pensioen een element van concurrentie op de arbeidsmarkt wordt, wat loononderhandelingen eenvoudiger en doorzichtiger maakt en voorkomt dat een neerwaartse spiraal ontstaat die het pensioensysteem afbreekt. Tenslotte is van belang dat de markt geen pensioenen volgens het beschikbare-uitkeringssysteem kan produceren (marktfalen) en de kosten en risicoverdeling van het beschikbare-premiesysteem ongunstig zijn voor de consument (voor een extreem voorbeeld, zie de woekerpolis-affaire).

Kijk op de website van ING voor meer informatie over Sparen voor pensioen.

Australian_60kmh_speed_limit_sign

Tegenover dit wettelijk monopolie staat niet alleen een zeer gedetailleerd toezicht van de overheid, maar ook een afbakening van het werkterrein van pensioenfondsen (taakafbakening). Instellingen die alleen pensioen uitvoeren (dus niet betrokken zijn bij het tot stand komen van de pensioenregeling) zijn niet gebonden aan de taakafbakening, maar genieten ook niet de bescherming van de verplichtstelling.

Fiscaliteit en vervroegd pensioen

Kenmerkend voor de fiscaliteit van pensioen is de omkeerregel (in Nederland artikel 11 lid 1c van de Wet op de loonbelasting): aftrek voor premie, rendement van het pensioenkapitaal tussentijds onbelast, pensioenuitkering (dus inleg plus rendement) belast.[4] Dit geldt niet voor de AOW (premie niet aftrekbaar, uitkering wel belast), maar wel in principe ook voor lijfrente. Wel wordt dan van de belastingplichtige verwacht dat hij de hele ‘rit’ uitzit. Tussentijds beeindigen of afkoop wordt, voor zover juridisch uberhaupt mogelijk, fiscaal zeer nadelig behandeld.

De fiscaliteit van pensioen wordt in Nederland bij wet geregeld in onder andere de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet inkomstenbelasting 2001 (ook in een aantal uitvoeringsbesluiten). In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt onder ouderdomspensioen verstaan een regeling die (bijna) uitsluitend ten doel heeft het treffen van een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom voor werknemers en gewezen werknemers.

Door de Wet VPL zijn vervroegde uittreding en prepensioen fiscaal onaantrekkelijk, respectievelijk niet meer gefacilieerd. Fiscale faciliëring wordt geboden voor een ouderdomspensioen van maximaal 100% van het laatstgenoten pensioengevend loon dat niet eerder ingaat dan bij het bereiken van de pensioenrichtleeftijd (nu 65 jaar, vanaf 2014 67 jaar), en ook een begrenzing van de opbouw per jaar, zie Witteveenkader. Men kan het zo opgebouwde pensioen wel eerder laten ingaan (met actuariële herrekening). Het komt er dus op neer dat hoe eerder het pensioen ingaat hoe lager het pensioen is dat fiscaal gefacilieerd kan worden opgebouwd.

Men kan een pensioen laten uitkeren dat eerst hoger en dan lager is (hoog-laagconstructie) of omgekeerd. Men kan het bijvoorbeeld eerder dan bij het bereiken van de AOW-leeftijd laten ingaan met een uitkering die in de periode waarin nog geen AOW-uitkering wordt ontvangen zodanig wordt verhoogd, dat deze in die periode even hoog is als daarna in totaal aan pensioen en AOW wordt ontvangen. Zie ook ABP KeuzePensioen. De verhoging van de AOW-leeftijd waarmee nog geen rekening gehouden is veroorzaakt dan wel een AOW-gat. Men ontvangt tijdens de periode van het AOW-gat dan het lage in plaats van het hoge pensioen.

In sommige gevallen kan de aangekondigde overbruggingsregeling volgens het Deelakkoord begroting 2013 het AOW-gat overbruggen.

De Wet VPL introduceerde verder de nu ook aflopende levensloopregeling. De laatste kan onder meer ook gebruikt worden voor vervroegd pensioen. Soms wordt het voorgaande en de levensloopregeling gecombineerd voor een extra vroeg prepensioen, zie FLO-overgangsrecht.

Uniform Pensioenoverzicht

Het vanaf 2008 verplichte Uniform Pensioenoverzicht maakt de verschillende pensioenoverzichten voor de deelnemer onderling vergelijkbaar.[5] Hierop staat onder meer de pensioenaangroei, de “factor A” in de formule voor de fiscale jaarruimte voor aftrek van lijfrentepremie. Deze “factor A” geeft de opbouw in het betreffende jaar aan, en is dus exclusief de toename door indexering van eerder opgebouwde pensioenaanspraken.

Vergeten pensioenen

Wie in Nederland op zoek gaat naar een lang geleden opgebouwd pensioen kan merken dat het pensioenfonds onvindbaar is, door fusie of naamsverandering. De nieuwe rechtsopvolger is te achterhalen via De Nederlandsche Bank.[6] Soms kan de Helpdesk Vergeten Pensioenen van de Bedrijfstakpensioenfondsen[7][8] of de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen[9] verder helpen.

Vanaf 2011 is het probleem van vergeten pensioenen grotendeels opgelost. Er is een online pensioenregister waar elke Nederlander met behulp van het DigiD de opgebouwde pensioenen en AOW kan opvragen.[10] Aangezien een DigiD alleen verkrijgbaar is voor wie in Nederland woont is het systeem niet toegankelijk voor Nederlanders die in het buitenland wonen.

Europese Unie

Vanaf ongeveer 2010 krijgt de Europese Unie geleidelijk aan en vooral indirect steeds meer zeggenschap over de resultaten van de Nederlandse pensioenwetgeving. Met name de voorstellen om de gestelde dekkingseisen voor pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen gelijk te trekken kunnen slecht uitpakken voor de Nederlandse pensioenfondsen. Ook de vooral in sociaal-democratische kringen uitgesproken wens voor een financiële transactiebelasting kan de Nederlandse pensioenfondsen veel geld gaan kosten. Het belangrijkste effect van de Europese staatsschuldencrisis is echter de sterk gedaalde lange rente op de Euro. Deze door de ECB bewerkstelligde rentedaling lijkt om politieke redenen nog jaren te moeten aanhouden. Er zijn sterke aanwijzingen dat dit effect de komende jaren tot belangrijke verlagingen van de pensioenen zal leiden. Tenslotte lijkt het een kwestie van tijd voordat er bij een vergaande, versnelde Europese integratie ook directe Europese pensioenwetten zullen komen. Dit zal bijna zeker niet voordelig uitvallen voor de Nederlandse pensioenen. Zorgen over bovenstaande kwesties hebben er toe geleid dat het vertrouwen in het Nederlandse pensioensysteem de laatste tien jaar merkbaar is afgenomen.

Externe links

Bronnen, noten en/of referenties

  1. Hierbij zij aangetekend dat een vervangingsgraad van 70% vaak niet bereikt zal kunnen worden. Niet elke werkkring heeft een pensioenregeling, en bij meerdere veranderingen van betrekking kunnen pensioenregelingen niet goed op elkaar aansluiten. Een werknemer die met een dergelijk ‘pensioengat’ wordt geconfronteerd, zal dan zelf (tijdig) maatregelen moeten treffen.
  2. http://www.mercer.com/referencecontent.htm?idContent=1359390
  3. http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/macro-economie/publicaties/artikelen/archief/2007/2007-2348-wm.htm
  4. Dit betekent ook dat het voordeel van lang leven is belast, terwijl bij kort leven er tegenover de belastingaftrek minder of geen latere belastingbetaling staat.
  5. Uniform Pensioenoverzicht
  6. DNB, FAQ, Vragen over pensioenen
  7. Helpdesk Vergeten Pensioenen
  8. Opsporingsplan voor ‘vergeten’ pensioenen
  9. Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen
  10. Pensioengegevens online beschikbaar Consumentenbond, nieuwsbericht, 9 mei 2008

This article uses material from the Wikipedia article Pensioen, which is released under the Creative Commons Attribution-Share-Alike License 3.0.

Meerderheid aanvaardt hogere AOW leeftijd

In tijden van crisis vallen alle vertrouwde afspraken weg en gelden nieuwe wetten. Zo pleiten al jaren verschillende organisaties voor een verhoging van de AOW-leeftijd, maar willen de Nederlandse burger en de politiek er niet aan. Uit een vrijdag door TNS NIPO uitgevoerd onderzoek, in opdracht van RTL nieuws onder 1325 volwassen blijkt dat 56 van de Nederlandse bevolking openstaat voor veranderingen van de AOW. Meest favoriete is het verhogen van de AOW-leeftijd. Onder de huidige gepensioneerden is dit iets minder 51 procent. Bijna een kwart (23 procent) van de Nederlanders ziet meer in een premieverhoging.

Ook in de Nederlandse politiek lijkt het te gaan schuiven, het kabinet lijkt plannen te hebben. Diverse ministers uit het kabinet hebben in het verleden al gepleit voor een verhoging. Minster Donner van Sociale Zaken pleite zelfs voor een AOW-leeftijd van 70 jaar. Minsister Van der Hoeven van Economische Zaken sloot in december 2008 niets uit en minister Bos van Financiën laat ook al langer weten dat een verhoging van de AOW-leeftijd bespreekbaar moet zijn.

In de Tweede Kamer is men voorzichtiger maar lijkt er beweging te komen in de meningen rondom verhoging van de AOW-leeftijd. De VVD is recent omgegaan en D66 pleit er al langer voor. De SP wil van niets weten en het CDA wil eigenlijk van alles niets, maar maakt zoveel geluid dat het bijna lijkt of ze het wel onder ogen zien, maar het nog niet durven zeggen. Ook de ChristenUnie lijkt zich richting een hogere AOW-leeftijd te bewegen.

Tegelijk met de verschuivende meningen komen economen met het bericht dat later een AOW-uitkering ontvangen voor de huidige crisis geen enkele betekenis heeft. De effecten liggen te ver in de toekomst om in deze crisis betekenis te hebben. Wel pleitte zij om het huidige klimaat te gebruiken om de AOW-leeftijd te verhogen zodat in de toekomst de AOW betaalbaar blijft doordat meer mensen aan het werken zijn en blijven.

AOW, Anw, successierechten: Nieuwe bedragen 2009 bekend

De AOW-bedragen zijn als volgt:

  • Een alleenstaande ontvangt in 2009 € 1.038,23 bruto inclusief de tegemoetkoming van € 30,45, exclusief vakantiegeld van € 56,50 per maand.
  • Zijn beide echtgenoten van een echtpaar (of daar aan gelijkgestelden) 65 jaar dan ontvangen ze ieder € 723,23 bruto per persoon inclusief de toeslag van € 36,45, maar exclusief vakantiegeld van € 40,36 per persoon per maand.
  • Is een van de echtgenoten jonger dan 65 jaar, dan kan de oudste partner een AOW-toeslag aanvragen, deze bedraagt bij geen inkomen 686,78 bruto euro per maand, voor deze jongere partner ontvangt de oudste wel vakantiegeld van  40,36 euro per maand, maar geen tegemoetkoming van 36,45 euro.
  • Heeft de jongste partner wel inkomen dan worden inkomsten uit vroegere arbeid volledig gekort op de toeslag-AOW. Inkomsten uit tegenwoordige arbeid kennen een vrijstelling die afhankelijk is van het bruto inkomen

Wilt u weten hoeveel u kunt ontvangen, gebruik dan de rekenhulp AOW-toeslag op onze site.

Laten de AOW-ontvangers de heffingskortingen van de belasting bij de AOW toepassen, dan ontvangt een alleenstaande in 2009 netto € 7 extra AOW en een echtpaar € 12.
 
Het bedrag van de Algemene Nabestaandenwet uitkering stijgt naar € 1.068,98  bruto.

De belangrijkste bedragen voor de belasting op erven en schenken zijn:

De vrijstelling voor echtgenoten (of daar aan gelijkgestelden) bedraagt: € 532.570 (was € 523.667), kinderen hebben een vrijstelling van € 10.323 (was € 10.150). Deze vrijstelling is er alleen wanneer een kind niet meer erft dan 27.309 euro. Erft een kind meer dan vervalt de vrijstelling.

Het schenkingsvrije bedrag is in 2009 voor kinderen € 4.556 per kind, per jaar. Eenmalig mag geschonken worden € 22.760 (was € 22.379) onder de voorwaarde dat het kind tussen de 18 en 35 jaar oud is. Deze bedragen voor kinderen zijn altijd vrij, ook als een kind meer ontvangt aan schenking.

Alle andere verkrijgers hebben een vrijstelling van € 2.734 per jaar, dit was € 2.688 in 2008. Ontvangt een begiftigde meer dan de vrijstelling van één persoon dan is de gehele verkrijging belast.

 

Extra AOW bij langer doorwerken

Word nu abonnee!

1 Jaar Plus Magazine voor slechts €30

Profiteer van:
•    40% Korting op de winkelprijs
•    GRATIS 2 Gezondheidsspecials
•    Plustelefoon voor financieel juridisch advies
•    Elke maand ruim 200 pagina’s
•    Gratis toegang tot het PlusArchief
•    50% Korting op de toegang van de 50PlusBeurs

 

Pensioen van ex in 1 keer ontvangen

Binnenkort wordt mijn ex-echtgenoot 65 jaar en krijg ik recht op een deel van het ouderdomspensioen dat hij bij zijn werkgever heeft opgebouwd. Het is geen hoog bedrag. Daarom lijkt het mij handig als ik het hele bedrag ineens krijg. Kan ik mijn pensioenaanspraken ‘afkopen’ en alles in één keer ontvangen?

Nee. Afkoop van pensioenrechten is alleen toegestaan bij heel kleine pensioentjes, dat wil zeggen: lager dan €400 per jaar. Maar die pensioentjes komen niet in aanmerking voor verdeling bij echtscheiding. Dat u wél recht hebt op een deel van het pensioen van uw ex-man, betekent dat het pensioen boven de afkoopgrens ligt. Afkoop is dan dus niet mogelijk.

Meer vragen over geld en recht? U vindt ze in de rubriek ‘Vraag en antwoord’.