Algemene Ouderdomswet

Bejaarden vieren de invoering van de AOW. Applaus voor minister Drees. 1956

De Algemene Ouderdomswet (AOW) regelt in Nederland het verplichte, collectieve ouderdomspensioen dat als algemene basis dient voor Nederlandse ouderdomspensioenen.

Verzekerd voor de AOW zijn ingezetenen van Nederland en niet-ingezetenen van Nederland die bepaalde inkomsten in Nederland genieten. De AOW is één van de zogenoemde volksverzekeringen.

De Belastingdienst int de premies volksverzekeringen tegelijk met de inkomstenbelasting bij de verzekerden jonger dan de AOW-leeftijd (2013: 65 jaar en een maand). De Sociale Verzekeringsbank (SVB) keert de AOW uit aan de verzekerden vanaf het bereiken van de AOW-leeftijd. De AOW-premieplicht eindigt op de eerste van de betreffende maand.

Er zijn ongeveer 3 miljoen uitkeringsgerechtigden: 2 miljoen met en 1 miljoen zonder gezamenlijke huishouding met iemand anders.

De termen AOW-gat en AOW-hiaat kunnen betrekking hebben op jaren in het buitenland die niet meetellen bij de opbouw, of op het ontbreken van partnertoeslag, of op maanden/jaren dat de AOW-uitkering vervalt wegens eerder niet bekende verhogingen van de AOW-leeftijd.

Inhoud

[bewerken] AOW-leeftijd

De AOW-leeftijd, ook AOW-gerechtigde leeftijd genoemd, is afhankelijk van de geboortemaand. Volgens de wet van juli 2012 is deze als volgt (maar volgens het Deelakkoord begroting 2013 en het Regeerakkoord 2012 wordt voor wie na september 1950 geboren is zowel de indeling in geboortecohorten als de bijbehorende AOW-leeftijd gewijzigd, zie onder):

  • 65 jaar voor wie geboren is vóór 1948 (AOW-uitkering is aangevangen vóór 2013)
  • 65 jaar en 1 maand voor wie geboren is in de periode januari – november 1948 (AOW-uitkering vangt aan in 2013)
  • 65 jaar en 2 maanden voor wie geboren is in de periode december 1948 – oktober 1949 (AOW-uitkering vangt aan in 2014)
  • 65 jaar en 3 maanden voor wie geboren is in de periode november 1949 – september 1950 (AOW-uitkering vangt aan in 2015)
  • 65 jaar en 5 maanden voor wie geboren is in de periode oktober 1950 – juli 1951 (AOW-uitkering vangt aan in 2016)
  • 65 jaar en 7 maanden voor wie geboren is in de periode augustus 1951 – mei 1952 (AOW-uitkering vangt aan in 2017)
  • 65 jaar en 9 maanden voor wie geboren is in de periode juni 1952 – maart 1953 (AOW-uitkering vangt aan in 2018)
  • 66 jaar voor wie geboren is in de periode april – december 1953 (AOW-uitkering vangt aan in 2019)
  • 66 jaar en 3 maanden voor wie geboren is in de periode januari – september 1954 (AOW-uitkering vangt aan in 2020)
  • 66 jaar en 6 maanden voor wie geboren is in de periode oktober 1954 – juni 1955 (AOW-uitkering vangt aan in 2021)
  • 66 jaar en 9 maanden voor wie geboren is in de periode juli 1955 – maart 1956 (AOW-uitkering vangt aan in 2022)
  • 67 voor wie geboren is in de periode april – december 1956 (AOW-uitkering vangt aan in 2023)

Dit volgt uit het eerste lid van artikel 7a van de wet. Dit lid geeft een overzicht van de AOW-leeftijd per kalenderjaar. Ook vele andere wetten en besluiten verwijzen naar “de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet”.

De verhoging van iemands AOW-leeftijd is vaak groter dan de verhoging van de AOW-leeftijd in het kalenderjaar waarin hij dacht zijn AOW-leeftijd te bereiken, omdat door die verhoging vaak ook nog eens de AOW-leeftijd van het volgende of daarop volgende kalenderjaar van toepassing wordt. Een verhoging van de AOW-leeftijd is daardoor ingrijpender dan het voor veel mensen op het eerste gezicht lijkt op basis van een overzicht van de AOW-leeftijd per kalenderjaar.[1][2]

[bewerken] Belang van de AOW-leeftijd

De AOW-uitkering gaat in op de dag dat de leeftijd van de betrokkene de AOW-leeftijd (pensioengerechtigde leeftijd) bereikt.

Verder houdt bij het bereiken van de AOW-leeftijd het recht op uitkering op bij de WW, WAO, WIA, Wajong,[3] Anw, IOAW / IOW, IOAZ, TW (en waar van toepassing ook de premieplicht). Ook zijn onder meer enkele heffingskortingen hiervan afhankelijk.

[bewerken] Vrijstelling van betaling van AOW-premie

Vanaf de eerste dag van de maand waarin de AOW-leeftijd wordt bereikt gelden lagere totaaltarieven in schijf 1 en 2 van box 1 (er is geen AOW-premie meer verschuldigd; men betaalt over de inkomsten in box 1 in het kalenderjaar waarin men de AOW-leeftijd bereikt een tijdsevenredig percentage AOW-premie).

Dit houdt verband met het categoriseren van de AOW als verzekering en niet als sociale voorziening. Door de netto-nettokoppeling aan het minimumloon zou het heffen van AOW-premie over de AOW-uitkering niet uitmaken, maar het levert iemand die de AOW-leeftijd heeft bereikt wel het voordeel op dat in de rest van schijf 1 en in schijf 2 geen AOW-premie verschuldigd is over aanvullend pensioen en over lijfrente. Ook maakt dit betaalde arbeid aantrekkelijker (het kan enigszins een compensatie bieden als men bruto minder verdient dan men gewend was).

Dat men geen AOW-premie betaalt, betekent uiteraard wel dat binnen schijf 1 en 2 hypotheekrenteaftrek (voor zover men daar op deze leeftijd nog aanspraak op kan maken gezien de maximumtermijn van 30 jaar) op dit punt ook geen voordeel biedt, alleen de belasting en de premies Anw en AWBZ worden door deze aftrek lager.

Voor zover de AOW gefiscaliseerd is betaalt de AOW-gerechtigde wel ook mee aan de AOW-uitkeringen. Zie ook versnelde en volledige fiscalisering van de AOW.

[bewerken] Ontslag

In principe mag een werknemer met ingang van zijn AOW-leeftijd ontslagen worden. Voor de rest is ontslag op grond van leeftijd gezien de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid verboden. Het voornemen van de regering is om wettelijk het uitgangspunt vast te leggen dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op de dag dat de AOW-leeftijd wordt bereikt.[4]

Voor gemeenteambtenaren is bijvoorbeeld in artikel 8:2 van de CAR-UWO bepaald dat de ambtenaar eervol ontslag wordt verleend met ingang van de dag waarop hij de AOW-leeftijd bereikt.

[bewerken] Hoogte van de uitkering

[bewerken] Koppeling aan het minimumloon

De bruto AOW-uitkeringen worden bepaald door netto-nettokoppeling aan het minimumloon. Uit een speciale bruto-nettoberekening volgt een netto minimumloon, waar netto AOW-bedragen uit worden afgeleid door bepaalde percentages ervan te nemen. Vervolgens worden deze netto bedragen op basis van speciale aannamen gebruteerd. Uiteindelijk is er de bruto-nettoberekening die het werkelijke nettobedrag oplevert.

Als netto minimumloon wordt genomen het bedrag verkregen uit het bruto minimumloon door loonheffing, voor personen onder de AOW-leeftijd en rekening houdend met uitsluitend tweemaal de algemene heffingskorting. Dit wijkt op twee punten af van wat twee “gehuwden” onder de AOW-leeftijd samen ontvangen als één het minimumloon verdient: niet van toepassing zijn de arbeidskorting (die het nettoloon verhoogt) en de afbouw van de dubbele heffingskorting voor kostwinners (die het totaal van de door beiden ontvangen bedragen verlaagt).[5]

[bewerken] Berekening per 1 juli 2012

Het bruto minimumloon exclusief vakantie-uitkering bedraagt € 1456,20 per maand. De IAB is 7,1% hiervan, dus € 103,39. Het belastbaar loon is dus € 1559,59, dit is per jaar € 18.715,08. Naar beneden afgerond op een veelvoud van € 54 is dit € 18.684. De loonheffing volgens box 1 (tarief voor personen onder de AOW-leeftijd) is 33,1% van € 18.684 (naar beneden op euro’s afgerond), is € 6184. De heffingskorting is 2 maal de algemene heffingskorting van € 2033 (tarief voor personen onder de AOW-leeftijd), is € 4066. De loonheffing is dus € 2118 per jaar, dit is € 176,50 per maand. Het referentieminimumloon voor de AOW (niet te verwarren met het algemene referentieminimumloon) is dus € 1456,20 – € 176,50 = € 1279,70 per maand (€ 15.356,40 per jaar).

De bruto AOW-uitkering exclusief de zogenaamde Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (KOB, zie onder) en exclusief de vakantie-uitkering is zodanig dat na aftrek van de in te houden loonheffing en na aftrek van de hoge IAB (vanaf 2013: de lage), een bepaald percentage (70% voor een alleenstaande, 50% voor een “gehuwde”) van het referentieminimumloon voor de AOW resteert.

Voor de in te houden loonheffing moet in de bovenstaande berekening volgens de wet rekening gehouden worden met de toepasselijke heffingskortingen voor een persoon boven de AOW-leeftijd. In werkelijkheid wordt in die berekening alleen rekening gehouden met de algemene heffingskorting.[6]

Voor een alleenstaande moet de genoemde bruto-nettoberekening uitkomen op 70% van € 1279,70 is € 895,79 per maand. Het bruto bedrag per maand moet zodanig zijn dat na aftrek van 7,1% IAB en aftrek van de loonheffing, rekening houdend met een tarief van 15,2% (het blijkt namelijk dat het inkomen binnen de eerste schijf blijft) en een heffingskorting van € 934 per jaar, het bedrag van € 895,79 per maand resteert. Als geen rekening wordt gehouden met loonklassen en andere afrondingen geeft dit een bruto bedrag per maand van (€ 895,79 – € 934/12) / (1 – 0,071 – 0,152) = € 1052,71. Dit valt in de loonklasse van € 1048,50 (afronding naar beneden op een veelvoud van € 4,50), dit is € 12.582 per jaar. De loonheffing volgens box 1 is 15,2% van € 12.582 (naar beneden op euro’s afgerond), is € 1912. Na aftrek van de heffingskorting van € 934 resteert €978, dit is € 81,50 per maand. Het bruto bedrag per maand moet dus zodanig zijn dat na aftrek van 7,1% IAB € 895,79 + € 81,50 = € 977,29 resteert. Dit geeft een bruto bedrag per maand van € 977,29 / (1 – 0,071) = € 1051,98.[7].

Voor een “gehuwde” moet de genoemde bruto-nettoberekening uitkomen op 50% van € 1279,70 is € 639,85 per maand. Het bruto bedrag per maand is dus bij benadering (€ 639,85 – € 934/12) / (1 – 0,071 – 0,152) = € 723,32. Correctie voor de loonklassen en andere afrondingen als boven geeft € 722,74.

Het bruto minimumloon inclusief vakantie-uitkering bedraagt € 1.572,70 per maand. Inclusief 7,1% IAB is dit € 1684,36 per maand. Op dezelfde manier als boven geeft dit een loonheffing van € 227,33 per maand. Dit geeft een netto bedrag van € 1345,37 per maand. Dit geeft een netto minimumvakantiebijslag van € 1.345,37 – € 1279,70 = € 65,67 per maand.[8]

De zogenoemde “netto vakantie-uitkering” is 70%, resp. 50%, van de netto minimumvakantietoeslag; deze is dus resp. € 45,97 en € 32,84. Volgens de tabel voor bijzondere beloningen bedraagt de loonheffing 15,2%. Samen met de 7,1% IAB is dit 22,3%, wat de hieronder vermelde bruto bedragen oplevert.

De “netto vakantie-uitkering” is ruim 5% van de netto AOW-uitkering, ongeveer gelijk aan die bij het minimumloon. De bruto vakantie-uitkering is een relatief laag percentage van de bruto AOW-uitkering (een kleine 6%) doordat het loonheffingstarief laag is. De daadwerkelijke netto vakantie-uitkering als er geen andere inkomsten zijn is ook een kleine 6% van de daadwerkelijke netto AOW-uitkering, want de loonheffing is dan nihil en de IAB steeds hetzelfde percentage (zie ook hieronder).

[bewerken] Berekening per 1 januari 2013

Het bruto minimumloon exclusief vakantie-uitkering bedraagt € 1469,40 per maand, dit is per jaar € 17.632,80. Naar beneden afgerond op een veelvoud van € 54 is dit € 17.604. De loonheffing volgens box 1 (tarief voor personen onder de AOW-leeftijd) is 37% van € 17.604 (naar beneden op euro’s afgerond), is € 6513. De heffingskorting is 2 maal de algemene heffingskorting van € 2001 (tarief voor personen onder de AOW-leeftijd), is € 4002. De loonheffing is dus € 2511 per jaar, dit is € 209,25 per maand. Het referentieminimumloon voor de AOW (niet te verwarren met het algemene referentieminimumloon) is dus € 1469,40 – € 209,25 = € 1260,15 per maand (€ 15.121,80 per jaar).

De bruto AOW-uitkering exclusief de zogenaamde Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (KOB, zie onder) en exclusief de vakantie-uitkering is zodanig dat na aftrek van de in te houden loonheffing en na aftrek van de lage IAB een bepaald percentage (70% voor een alleenstaande, 50% voor een “gehuwde”) van het referentieminimumloon voor de AOW resteert.

Voor de in te houden loonheffing moet in de bovenstaande berekening volgens de wet rekening gehouden worden met de toepasselijke heffingskortingen voor een persoon boven de AOW-leeftijd. In werkelijkheid wordt in die berekening alleen rekening gehouden met de algemene heffingskorting.[6]

Voor een alleenstaande moet de genoemde bruto-nettoberekening uitkomen op 70% van € 1260,15 is € 882,11 per maand. Het bruto bedrag per maand moet zodanig zijn dat na aftrek van 5,65% IAB en aftrek van de loonheffing, rekening houdend met een tarief van 19,1% (het blijkt namelijk dat het inkomen binnen de eerste schijf blijft) en een heffingskorting van € 1034 per jaar, het bedrag van € 882,11 per maand resteert. Als geen rekening wordt gehouden met loonklassen en andere afrondingen geeft dit een bruto bedrag per maand van (€ 882,11 – € 1034/12) / (1 – 0,0565 – 0,191) = € 1057,73. Dit valt in de loonklasse van € 1057,50 (afronding naar beneden op een veelvoud van € 4,50), dit is € 12.690 per jaar. De loonheffing volgens box 1 is 19,1% van € 12.690 (naar beneden op euro’s afgerond), is € 2423. Na aftrek van de heffingskorting van € 1034 resteert €1389, dit is € 115,75 per maand. Het bruto bedrag per maand moet dus zodanig zijn dat na aftrek van 5,65% IAB € 882,11 + € 115,75 = € 997,86 resteert. Dit geeft een bruto bedrag per maand van € 997,86 / (1 – 0,0565) = € 1057,62. Aangezien dit bedrag zich in het begin van een loonklasse bevindt heeft het bruteringsprobleem twee oplossingen, waarbij de andere oplossing ongeveer 0,191 × € 4,50 / (1 – 0,0565) is € 0,91 lager is, dus € 1056,71. Inderdaad wordt bij de brutering het lagere bedrag gekozen, het daadwerkelijke bruto bedrag is vastgesteld op € 1056,72.

[bewerken] Bedragen

De bruto uitkering bedraagt per 1 juli 2012 voor iemand met een gezamenlijke huishouding met een ander (zie onder) € 722,74 per maand (1 januari 2013: € 722,21), excl. KOB van € 33,65 per maand (1 januari 2013: € 28,14 per maand, € 337,68 per jaar); samen is dit per maand € 756,39; verder is er nog de vakantie-uitkering van bruto € 42,25 per maand (totaal € 798,64). De bruto uitkering voor alleenstaanden bedraagt € 1051,98 per maand (1 januari 2013: € 1056,72), exclusief de KOB als boven; samen is dit per maand € 1085,63; verder is er nog de vakantie-uitkering van bruto € 59,16 per maand (totaal € 1144,79).

Omdat in deze gevallen de werkelijk in te houden loonbelasting en premies volksverzekeringen nihil zijn, mede door de ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting, zijn de netto bedragen eenvoudig 7,1% (2013: 5,65%) lager dan de bruto bedragen.[9]

Dit geeft resp. € 742 en € 1064 (per jaar € 8900 en € 12.800). Voor wie geen ander inkomen heeft zijn dit de uiteindelijke netto bedragen; voor wie wel ander inkomen heeft is van belang dat de IAB niet aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting.

Als de AOW-gerechtigde een gezamenlijke huishouding heeft met iemand beneden de AOW-leeftijd dan ontvangt eerstgenoemde 50% van het bovengenoemde minimumloon en de ander niets. Een AOW-gerechtigde die met zijn/haar volwassen kind samenwoont krijgt wel de uitkering voor alleenstaanden; de regering stelt voor dat dit gewijzigd wordt in die zin dat dan slechts de uitkering voor een samenwonende wordt toegekend.

[bewerken] Partnertoeslag

Bij wijze van overgangsregeling heeft een AOW-gerechtigde die vóór 1950 is geboren en een gezamenlijke huishouding heeft met iemand beneden de AOW-leeftijd, recht op een toeslag op de AOW (partnertoeslag). Het inkomen van de ander in verband met arbeid wordt geheel gekort op de toeslag, het inkomen van de partner uit arbeid gedeeltelijk. Per augustus 2011 is de toeslag (eerder maximaal bruto € 694,19 per maand) met 10% verlaagd, voor zover het gezamenlijk inkomen van beide mensen daarmee niet onder 162% van het minimumloon komt. Daarmee is er voor het eerst afhankelijkheid van het inkomen van de AOW-gerechtigde zelf. Voor wie geboren is in de periode nov – dec 1949 geldt de extra voorwaarde dat de gezamenlijke huishouding al vóór 1 januari 2015 bestaat. De achtergrond van deze extra voorwaarde is dat het al coulant is dat deze betrokkene na het bereiken van de AOW-leeftijd voor de partnertoeslag in aanmerking komt hoewel hij/zij pas in 2015 de AOW-leeftijd bereikt en dat deze coulance zich niet hoeft uit te strekken tot een te zijner tijd te ontvangen toeslag in het geval van een gezamenlijke huishouding in de toekomst (zoals wel geldt voor wie geboren is vóór november 1949).

Zoals de term “toeslag” al aangeeft is het geen zelfstandig recht van de partner. Als de AOW-gerechtigde overlijdt stopt dus ook de toeslag. In sommige gevallen kan de partner recht krijgen op een ANW-uitkering.

Volgens het Regeerakkoord 2012 wordt aan de partnertoeslag per 1 juli 2014 de extra voorwaarde verbonden dat het gezamenlijke inkomen niet meer is dan € 50.000 (exclusief AOW). Dit geldt voor nieuwe instroom en, na afloop van een overgangsperiode, voor het zittend bestand.

[bewerken] Gezamenlijke huishouding

De wet gebruikt de termen gehuwd en echtgenoot, maar bepaalt dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. De twee personen hoeven dus geen “stel” te zijn / een “relatie” te hebben (verliefdheid of seksuele handelingen spelen geen rol), ze kunnen ook “gewoon vrienden” (m/v) zijn, of twee broers, twee zussen, broer en zus, grootouder en kleinkind, of hulpbehoevende en verzorger. Voor een ouder en kind geldt zoals gezegd een uitzondering: als deze een gezamenlijke huishouding voeren gelden ze wél beide als alleenstaande. De Tweede Kamer wees in een motie het afschaffen van deze uitzondering af.[10][11] De regering wil per 2015 ook in het geval van een ouder en zijn kind de lagere uitkering voor iemand die met een ander samenwoont van toepassing laten zijn (voor de ouder, of als beide AOW-gerechtigd zijn voor beide), eerst alleen voor nieuwe instroom in de AOW en voor AOW’ers waarvan de huishoudsituatie wijzigt en na afloop van een overgangstermijn ook voor het zittend bestand.

Een uitzondering betreft het geval van zorg voor een AOW-gerechtigde die hulpbehoevend is en waarbij door deze zorg een gezamenlijke huishouding ontstaat van twee AOW-gerechtigden en de AOW-gerechtigde en de hulpbehoevende AOW-gerechtigde ieder beschikken over een woning en daarvoor de financiële lasten dragen.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander.

De AOW kent op dit moment geen specifieke bepalingen of uitkeringsnormen voor een huishouden met drie of meer volwassenen. In de praktijk heeft de SVB daarvoor beleid ontwikkeld dat aansluit bij de wet en de jurisprudentie. Bij bijvoorbeeld een driepersoonshuishouden wordt eerst bepaald of het mogelijk is twee personen aan te wijzen die aangemerkt zouden kunnen worden als gehuwd omdat zij de kosten met elkaar delen en zorg voor elkaar dragen. Deze krijgen dan elk de gehuwdennorm van 50%, en de derde wordt beschouwd als alleenstaande en krijgt daarmee de uitkeringsnorm van 70%. Als de kosten door allen worden gedeeld (bijvoorbeeld drie zussen), dan wordt ieder aangemerkt als alleenstaande. Zij krijgen dan ieder de uitkeringsnorm van 70%. Bij commerciële relaties, waarbij personen in één woning wonen maar het gebruik van de woonruimte en de huishouding een strikt zakelijk karakter hebben, bedraagt de uitkeringsnorm 70%.[12]

Controle (zoals huisbezoek) en fraude heeft vaak te maken met het wel of niet voeren van een gemeenschappelijke huishouding.[13][14][15] Als uitkeringsfraude wordt niet alleen beschouwd het verstrekken van verkeerde informatie bij de aanvraag, maar ook het niet voldoen aan de informatieverplichtingen (art. 49). Deze houden onder meer in dat als men een gemeenschappelijke huishouding gaat voeren, men dit direct uit eigen beweging moet doorgeven. Om geen risico te lopen van fraude te worden beschuldigd moet men dit ook in een twijfelgeval doen. Aangenomen maar nog niet ingegaan is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving die artikel 17c en verder aanscherpt.

[bewerken] Onvolledige AOW, vrijwillige verzekering

De AOW bedraagt 2% van de volledige AOW-uitkering voor ieder jaar dat iemand in de periode van 50 jaar voorafgaand aan het bereiken van de AOW-leeftijd in Nederland heeft gewoond en/of in Nederland heeft gewerkt en dienaangaande aan de loonbelasting onderworpen was, met dien verstande dat de tijd waarin men in Nederland woonde en in het buitenland werkte (grensarbeider was) niet meetelt, maar de tijd dat men in Nederland woonde en helemaal niet werkte wel. Het aantal jaren dat meetelt wordt individueel bepaald, dus de tijd waarin iemand in Nederland woonde terwijl zijn/haar partner in het buitenland werkte stelt voor hem/haar wel mee. De toale tijdsduur wordt tot op de dag nauwkeurig bepaald en vervolgens naar boven afgerond op hele jaren.[16])

De vrijwillige verzekering houdt in dat wie eerst in Nederland woont en zich dan tijdelijk of blijvend in het buitenland vestigt zijn AOW-verzekering vrijwillig kan voortzetten en dat wie zich in Nederland vestigt de jaren vanaf de aanvangsleeftijd tot de vestiging in Nederland mee kan laten tellen, mits binnen 10 jaar[17] van vestiging aangevraagd (inkoopregeling). Na vertrek uit Nederland moet de vrijwillige verzekering binnen een jaar worden aangevraagd en kan deze maximaal 10 jaar duren (onder voorwaarden langer). Wie uit Nederland vertrekt en zich niet binnen de genoemde termijn van een jaar vrijwillig verzekert, of terugkeert nadat de vrijwillige verzekering is gestopt (vrijwillig of doordat de maximale duur verstreken was), kan bij terugkeer de jaren waarin men niet verzekerd was niet alsnog laten meetellen.

Artikel 3.3 van het Besluit Wfsv bepaalt dat de premie per jaar hetzelfde percentage als bij de verplichte verzekering bedraagt van het inkomen in de eerste en tweede schijf van box 1 (zie ook onder), met dien verstande dat al het inkomen geacht wordt te zijn ontvangen in Nederland; hiervan wordt afgetrokken de heffingskorting voor de AOW (een evenredig deel van de standaardheffingskorting), met dien verstande dat in dit geval tot de standaardheffingskorting alleen geacht wordt te behoren de algemene heffingskorting. Uit de rekenhulp[18] blijkt dat voor elk jaar in het verleden het historische percentage en de historische heffingskorting worden toegepast. Er wordt ook geen rente berekend.

Voor 2012 bedraagt de heffingskorting ( 17,9 / 33,1 ) × € 2033 = € 1100. De maximale premie (die op basis van de bovengrens van de tweede schijf) bedraagt € 4961 per jaar. Als men zijn inkomen in de betreffende jaren (die bijna 50 jaar in het verleden kunnen liggen!) niet aannemelijk kan maken geldt het maximum. Aanvullend geldt de regel dat de premie minstens 10% van dit maximum is, dus voor 2012 € 496 per jaar.[19]

De vrijwillige verzekering is vooral voordelig voor jaren met een laag of geen inkomen. Men kan echter maar beperkt kiezen welke jaren men meeverzekert. Na vertrek uit Nederland moet de periode van de vrijwillige verzekering aansluiten op die van de verplichte verzekering. Men kan wel stoppen met de opbouw van verzekerde jaren (bijvoorbeeld als het inkomen hoger wordt). Bij vestiging in Nederland is het “alles of niets”: men kan alleen de hele periode vanaf de op het betreffende moment geldende aanvangsleeftijd verzekeren.

Inkoop geeft voor de overheid een besparing van mogelijke AIO, maar het kost de overheid per saldo toch geld, doordat voornamelijk degenen inkopen voor wie dat voordelig is. Bovendien is zelfs over de gehele linie genomen de AOW-premie niet kostendekkend (de AOW is gedeeltelijk gefiscaliseerd).[20][21]

Zolang de AOW-leeftijd niet is bereikt kan de aanvangsleeftijd met terugwerkende kracht verhoogd worden, waardoor opbouwmaanden verloren gaan, zelfs als deze achteraf zijn ingekocht, zonder restitutie van premie of inkoopsommen. De regering vindt dit niet bezwaarlijk, want “Er bestaat in de AOW geen relatie tussen het betalen van premie en het verzekerd zijn.”[22] en om ongelijke behandeling vergeleken met verplicht verzekerden te voorkomen. Zoals gezegd wordt zelfs bij vrijwillig achteraf verzekeren vanaf de aanvangsleeftijd uitgegaan van de aanvangsleeftijd op het moment van inkoop, niet de aanvangsleeftijd die volgens de op het moment van inkoop geldende versie van de wet uiteindelijk voor de betrokkene van toepassing zal zijn. Om zo min mogelijk verzekerde jaren in te kopen die zullen komen te vervallen moet men dus zo lang mogelijk wachten met de inkoop (tot bijna 10 jaar na vestiging in Nederland, tenzij men eerder de AOW-leeftijd bereikt).

Bij een onvolledige AOW-uitkering kan eventueel recht bestaan op bijstand volgens de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen.[23] Deze wordt net als de AOW-uitkering door de SVB uitbetaald.

De vrijwillige AOW-premie wordt voor 2013 geraamd op € 15 miljoen.

[bewerken] Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen

De Wet van 21 april 2011, houdende introductie van een regeling die het mogelijk maakt oudere belastingplichtigen een tegemoetkoming te verstrekken met het oog op compensatie van koopkrachtverlies als gevolg van beleidsmaatregelen (Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen) is op 1 juli 2011 in werking is getreden. Voor deze tegemoetkoming wordt zowel KOB als MKOB gebruikt als afkorting. De tegemoetkoming wordt vaak samen met de AOW-uitkering uitbetaald (beide worden uitbetaald door de Sociale Verzekeringsbank). Verschillen in voorwaarden met de AOW zijn:

  • Men krijgt een volledige KOB, ook al krijgt men een onvolledige AOW omdat men niet altijd in Nederland heeft gewoond.
  • In veel gevallen krijgt men de tegemoetkoming niet als men in het buitenland woont. Voorwaarde is namelijk dat men binnenlands belastingplichtige is of dat ten minste 90% van het wereldinkomen in Nederland onderworpen is aan de belastingheffing naar het inkomen.

Voor het recht op de tegemoetkoming moet de belastingplichtige de leeftijd hebben bereikt waarop recht kan ontstaan op de ouderenkorting.

De regeling is bedoeld als compensatie voor Nederlandse fiscale lastenverzwaringen en daarom niet bedoeld voor wie daar niet mee te maken heeft. De regeling kan bijvoorbeeld een hoge btw compenseren; een heffingskorting kan dat alleen voor mensen die inkomstenbelasting betalen, want behoudens de aflopende regeling voor uitbetaling van de algemene heffingskorting kan de inkomstenbelasting niet negatief zijn.

De regeling is zo vormgegeven dat deze volgens de regering niet in strijd is met Verordening 883/2004. De rechtbank Haarlem heeft begin april 2012 beslist dat buiten Nederland wonenden die onder een verordening of verdrag vallen, recht hebben op een tegemoetkoming KOB. De SVB gaat in beroep tegen de uitspraak.

[bewerken] Financiering

De AOW-uitkeringen worden voor 2013 geraamd op € 33 miljard. De premie bedraagt 17,9% van het inkomen in box 1, verminderd met een evenredig deel van de heffingskortingen, het geraamde bedrag voor 2013 is € 23 miljard. In verband met dit laatste verstrekt het Rijk de Bijdrage in de Kosten van de Kortingen (BIKK) aan de fondsen. Daarnaast is er de aanvullende financiering door het Rijk. Voor 2013 worden deze geraamd op resp. € 2 miljard en € 8 miljard.[24] (samen 30% van de uitkeringen). Voor wat betreft de rijksbijdrage is er fiscalisering van de AOW.

In verband met het categoriseren van de AOW als verzekering geldt de regel dat wie de AOW-leeftijd heeft bereikt geen AOW-premie meer betaalt. Zie ook versnelde en volledige fiscalisering van de AOW.

De MKOB-uitkeringen bedragen ongeveer € 1 miljard per jaar.

[bewerken] Geschiedenis

De eerste jaren vanaf 1957 werd de AOW volledig gefinancierd volgens het omslagstelsel, dat wil zeggen: uit de op hetzelfde moment geïnde AOW-premies. Bij de bepaling van de premiehoogte werd het percentage en het maximum bedrag per verzekerde elk jaar zo gekozen dat het totaal van de geïnde premies vermeerderd met enige rente-inkomsten gelijk was aan het totaal van de uitkeringen. Niet in alle jaren lukte dat. Een tekort moest worden aangevuld. Er is in 1997 incidenteel een tekort. In april 1998 is besloten het jaarlijks stijgende percentage te bevriezen op 17,9% [20] (2012: 65-plussers betalen 15,2% i.p.v. 33,1% in de eerste schijf van box 1). Vanaf 2002 is er echter een jaarlijks oplopend tekort[25] dat uit de algemene middelen, de belastingopbrengsten, wordt aangevuld.

Het tekort is groeiend, ook omdat er sinds 2001 geen AOW-premie meer verschuldigd is over inkomsten uit vermogen en de laatste jaren sneller vooral door de verminderde premie-inkomsten als gevolg van de heffingskortingen. Sinds de belastingherziening in 2001 komen er per saldo minder premies binnen bij de volksverzekeringen AOW, Anw en AWBZ.

Door het groeiende tekort moeten er elk jaar meer belastingopbrengsten worden gebruikt om het tekort aan te vullen. Omdat ook AOW-gerechtigden belasting betalen, is het gevolg dat de AOW-gerechtigden sinds 2002 in toenemende mate een deel van hun AOW ontvangen dat zij op hetzelfde moment financieren via de gewone belasting. Dit betreft het meest hen die het meeste belasting betalen. De AOW-uitkering was volledig inkomensonafhankelijk, maar is sinds 2002 steeds meer enigszins van het inkomen afhankelijk.

In 2008 bedraagt het tekort 5,5 miljard, ongeveer 20% van het totaal van de AOW-uitkeringen. De vergrijzing speelde een beperkte rol tot 2008[26], maar de komende jaren gaat de toenemende vergrijzing de financiering nog voor grote problemen stellen.

[bewerken] Historie

De AOW is in 1957 geïntroduceerd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid J. G. Suurhoff. De AOW is de opvolger van de door Willem Drees als minister van Sociale Zaken in 1947 ingevoerde Noodwet Ouderdomsvoorziening, die uitdrukkelijk als tijdelijk bedoeld was.[27]

Aan de AOW is een lange voorgeschiedenis voorafgegaan. De Pruisische kanselier Otto von Bismarck legde in 1889 een inkomensverzekering op tegen inkomstenderving in geval van ouderdom, ziekte en invaliditeit. In deze inkomensverzekering komt aanvankelijk de AOW-leeftijd van 70 jaar voor. Pas een aantal jaren later wordt dit gewijzigd in de bekende leeftijd van 65. Overigens was de levensverwachting van een 65-jarige in die tijd korter dan nu. Een 65-jarige had in 1956 een resterende levensverwachting van 14 jaar (man) en 15 jaar (vrouw); de laatste tientallen jaren neemt de resterende levensverwachting toe: in 2010 is dit 18 jaar (man) 21 jaar (vrouw).[28]

In het Verenigd Koninkrijk werd in 1942 (dus in de oorlogsjaren) door Lord William Beveridge gebruikgemaakt van het sterke gevoel van solidariteit om een blauwdruk te maken voor een stelsel van sociale volksverzekeringen, betaald uit belastinggeld. Soortgelijke systemen werden na de Tweede Wereldoorlog in meerdere Europese landen en in de Verenigde Staten ingevoerd.

Terwijl in het systeem van Bismarck de uitkering afhangt van het vroegere inkomen, is in het systeem van Beveridge de uitkering voor iedereen hetzelfde. Deze twee modellen en tussenvormen ervan worden nog steeds gebruikt. Zo is in Nederland de uitkering voor gehuwden en samenwonenden per persoon lager dan voor alleenstaanden.

De Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen wijzigde per 1 juni 2011 het systeem van de “tegemoetkoming”. Deze wordt nu geregeld in een aparte wet, zie boven.

In toenemende mate zijn er AOW-gerechtigden die uit het buitenland afkomstig zijn en daardoor een onvolledige AOW-opbouw hebben. Deze krijgen een gekorte AOW-uitkering, eventueel aangevuld met bijstand volgens de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen.

[bewerken] Aanvang uitkeringen op de verjaardag

De Wet van 8 december 2011 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en andere wetten in verband met wijziging van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen) [29] wijzigde de ingangsdatum van de eerste van de maand waarop men 65 wordt tot de verjaardag zelf. Tevens werden met deze wet de Anw, WW, ZW, WIA, IOAW / IOW, IOAZ, TW, Wajong overeenkomstig aangepast: met name is de bepaling dat geen recht op uitkering heeft degene die de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt heeft bereikt, gewijzigd in de bepaling dat geen recht op uitkering heeft degene die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. De kring van verzekerden veranderde niet, men was al tot zijn 65e verjaardag verzekerd. Met het Besluit van 9 februari 2012 tot aanpassing van diverse besluiten in verband met de Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen[30] werden ook diverse andere regelingen aangepast; voor wat betreft de bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid in de vorm van een AMvB waren dit het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs (BBWO) en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie. Onduidelijk is waarom bijvoorbeeld niet is aangepast het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk (BBUW-Rijk), hier staat nog steeds “de eerste dag van de kalendermaand waarin betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt”. Niet aangepast behoefde te worden het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren en het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie want daar staat “de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.”

Voor wat betreft het verschuldigd zijn van AOW-premie en dus voor wat betreft de totaaltarieven van box 1, wordt nog wel met hele maanden gewerkt, zie boven.

[bewerken] Eerdere ontwikkelingen rond de toekomst van de AOW

De zorgen over de vergrijzing en de financiering van de AOW zijn een rode draad in de geschiedenis van de AOW. Al bij de memorie van toelichting bij de invoering van de wet wordt gesteld dat de voortgaande vergrijzing een niet te ontkennen feit is. “Zou de last te zwaar worden in de toekomst, dan is verlichting mogelijk door de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen, een mogelijkheid, welke goed aansluit aan een toeneming van de gemiddelde leeftijd en een verbeterende lichamelijke conditie der bejaarden.” Een verhoging van de AOW leeftijd wordt hier dus expliciet als mogelijkheid geboden, maar wordt alleen wenselijk geacht indien mèt de verhoging van de gemiddelde levensduur ook een verhoging van het ‘prestatievermogen’ van 65-jarigen en ouderen gepaard zou gaan. Omdat men bij de invoering vond dat nog niet was gebleken dat het ‘prestatievermogen’ van de 65 jarigen ook was verhoogd (en dit sowieso moeilijk aan te tonen zou zijn), is bij invoering besloten tot een vaste leeftijd van 65 jaar.[31]

In de jaren 80 is de kwestie weer actueel geworden. Er rezen twijfels of de AOW bij de verwachte vergrijzing ongewijzigd gehandhaafd kan worden. Een staatscommissie onder leiding van Willem Drees jr. onderzocht de toekomst van de voorziening die zijn vader tot stand had gebracht. Aanleiding was een alarmerend artikel in Economisch Statistische Berichten. Drees concludeerde dat het stelsel kon worden gehandhaafd. Wel adviseerde hij tot individualisering van de uitkering waarbij iedereen individueel eenzelfde uitkering ontvangt. De regeringen daarna hebben dat advies niet gevolgd omdat óf de uitkering te weinig zou zijn voor een alleenstaande óf de regeling te duur zou worden. Er is wel een individuele uitkering, maar een alleenstaande krijgt daar bovenop een toeslag.

In de jaren 90 werd het AOW-fonds opgericht na een voorstel van Jan van Zijl (PvdA). Financiële meevallers zouden door de Minister van Financiën in dat fonds worden gestort om de gevolgen van de vergrijzing op te vangen. Het fonds zou vanaf 2020 (als de vergrijzing hoog zou zijn) gaan uitkeren. Door het gespaarde geld in het AOW-fonds zou de AOW ondanks de vergrijzing betaalbaar blijven. Tijdens het tweede Paarse kabinet kreeg het AOW-spaarfonds kracht van wet.

In 2005 bleek dat het AOW-spaarfonds slechts een papieren exercitie was, het fonds en het geld in het fonds bestonden slechts op papier. Het ging om een (in het bedrijfsleven gebruikelijke) reservering, waarbij er dus geen sprake is van een fysiek ‘spaarpotje’. Er was nooit iets gestort, wel stond er op papier 23 miljard euro ‘gereserveerd’. Hoewel zulke reserveringen in de boekhoudkundige praktijk een gebruikelijke methode zijn om kapitaal te ‘sparen’, was er toch kritiek op. Op 28 juni 2011 ging de Tweede Kamer unaniem akkoord met het voorstel van de regering Rutte tot opheffing van dit spaarfonds.[32][33][34]

Na het jaar 2000 rees opnieuw onrust over de toekomst van de AOW. Het thema speelde een rol in de campagnes voor de parlementsverkiezingen van 2006. De VVD overwoog een verhoging van de AOW-leeftijd tot 67 jaar, maar heeft dit plan niet in haar definitieve verkiezingsprogramma voor 2006 opgenomen. Alleen D66 stelt een verhoging van de AOW-leeftijd tot 67 jaar voor met een overgangsperiode van 24 jaar.

In het Sociaal-Economische Raad (SER)-advies van 30 augustus 2006 wordt gepleit voor fiscalisering van de AOW. AOW-premie zou worden vervangen door belasting, waardoor voor AOW-gerechtigden dezelfde totaaltarieven in box 1 zouden gaan gelden als voor anderen (of wat materieel op hetzelfde neerkomt: ook AOW-gerechtigden zouden AOW-premie moeten gaan betalen). Volgens het regeerakkoord voor het Kabinet-Balkenende IV zouden alleen ouderen met een aanvullend pensioen van meer dan € 18.000 die voor hun 65e met werken waren gestopt aan de AOW mee hoeven te betalen. Het Centraal Planbureau (CPB) betwijfelde of deze regeling uitvoerbaar is. Tijdens de verkiezingen van 2006 was de AOW een heikel punt. De PvdA wilde de AOW deels fiscaliseren, het CDA verzette zich hiertegen. CDA-lijsttrekker Jan Peter Balkenende beschuldigde PvdA’er Wouter Bos ervan ‘te stelen van de ouderen’. Balkenende stelde dat de AOW bij het CDA veilig was, maar anders dan tijdens de verkiezingscampagne van 2006, kwam juist het CDA in 2008 met het voorstel de AOW-leeftijd tot 67 te verhogen.

Het Kabinet-Balkenende IV kwam in augustus 2008 eerst met een voorstel dat mensen van 65 jaar kunnen kiezen om hun AOW maximaal vijf jaar uit te stellen.[35] Mensen die langer doorwerkten, zouden dan een hogere uitkering krijgen. Op 25 maart 2009 kondigde het kabinet aan voornemens te zijn de AOW-leeftijd tot 67 te verhogen.[36]. Dit voorstel was afkomstig van CDA-minister Piet Hein Donner.

In de avond van 15 oktober 2009 bereikte de regeringscoalitie, bestaande uit PvdA, CDA en ChristenUnie een akkoord over het verhogen van de AOW-leeftijd van 65 naar 67 jaar: in 2020 zou de leeftijd eerst verhoogd worden naar 66 jaar, vijf jaar later, in 2025, zou de leeftijd naar 67 jaar gaan. Het zou mogelijk blijven om met 65 jaar te stoppen, mits men minimaal 42 jaar zou hebben gewerkt. Wie daarvoor zou kiezen zou daarvoor geheel of gedeeltelijk actuarieel gekort op de hoogte van de maandelijkse AOW-bedragen die de rest van het leven ontvangen worden: deze zouden voor de hogere inkomens 16 procent minder worden, voor lagere inkomens 13 procent.[37] De coalitie wilde ook de aanvullende pensioenen twee jaar later in laten gaan. Dit betekent dat twee jaar langer pensioenpremie wordt betaald en twee jaar korter uitgekeerd. Eén mogelijkheid is dat hierdoor geen opgebouwde pensioenrechten verloren gaan omdat de uitkeringen actuarieel neutraal worden omgerekend; dit verhoogt de uitkeringen, wat het eventueel korten wegens het feit dat de pensioenfondsen veel geld verloren tijdens de kredietcrisis kan compenseren. Materieel hetzelfde zou de mogelijkheid kunnen zijn dat pensioenbedragen niet worden omgerekend (althans niet actuarieel neutraal), zodat de dekkingsgraad wordt vergroot en de pensioenen daarom niet hoeven te worden gekort. Deze mogelijkheden maken dat de fondsen voorstander zijn van het voorstel. Uit een onderzoek van EénVandaag bleek dat 60 procent van de Nederlanders tegen de plannen van het kabinet is, 40 procent vond het wel een goed plan. Van de achterban van het CDA en de CU was een meerderheid voor de kabinetsplannen, bij de PvdA was een meerderheid (63%) tegen.[38] Opvallend was dat er meer mensen boven de 55 jaar voor de plannen waren dan jongeren, mensen van 55 jaar en ouder worden door de plannen ontzien. Tijdens een stemming in de PvdA fractie was een meerderheid van de fractie voor, slechts twee fractieleden stemden tegen.

In december 2009 werd het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met verhoging van de leeftijd waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat (dossier 32247) ingediend. De regering wees invoering in een groter aantal kleinere stappen af vanwege de administratieve complexiteit voor alle partijen. In mei 2011 heeft het Kabinet-Rutte I dit wetsvoorstel ingetrokken en vervangen door een nieuw wetsvoorstel (zie onder).

Begin 2011 diende het Platform AOW-Omhoog [39] een burgerinitiatief in met als doel het inhalen van de structurele achterstand van het AOW-bedrag op de welvaartsontwikkeling. Op 17 maart 2011 besloot de Tweede Kamer het burgerinitiatief te aanvaarden en het onderwerp op de agenda van de Kamer te zetten.

In mei 2011 werd het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met verhoging van de leeftijd waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat van 65 naar 66 jaar (Wet verhoging pensioenleeftijd naar 66 jaar) ingediend. Dit is ook ingetrokken en vervangen door weer een nieuw wetsvoorstel (zie onder).

Het al in 2015 in plaats van in 2020 ingaan van de verhoging van de AOW-leeftijd was onderdeel van het pakket bezuinigingsmaatregelen die in eerste instantie het resultaat waren van de toenmalige bezuinigingsonderhandelingen, die vervolgens toch zijn stukgelopen.[40] Een overgangsregeling zou de omvang van de inkomensgevolgen beperken voor mensen die weinig tijd hebben om zich op de wijziging voor te bereiden en die weinig mogelijkheden hebben om het verlies te compenseren door te werken of te sparen. Hiervoor zou in 2015 200 miljoen beschikbaar zijn. Eventuele effecten voor overheidswerkgevers zouden worden opgevangen binnen de desbetreffende departementale begrotingen.[41]

[bewerken] Wetsvoorstel verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW

In de Eerste Kamer is aanhangig geweest het inmiddels ingetrokken wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met verhoging en koppeling aan de ontwikkeling van de levensverwachting van de pensioenleeftijd, extra verhoging van het AOW-ouderdomspensioen en introductie van de mogelijkheid het AOW-ouderdomspensioen desgevraagd geheel of gedeeltelijk eerder of later te laten ingaan (Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW).

De belangrijkste verschillen met de latere wijziging waren:

  • in dit oude voorstel zou de verhoging van de AOW-leeftijd later zijn, maar met grotere stappen verlopen: in 2020 zou de eerste stap zijn, van een heel jaar
  • er zou een mogelijkheid komen om de AOW-uitkering eerder of later in te laten gaan
  • de AOW-uitkering zou extra verhoogd worden met jaarlijks 0,6%, tot 2028

[bewerken] Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd

Naar aanleiding van het Begrotingsakkoord 2013 is aangenomen, met steun van VVD, CDA, D66, GroenLinks, ChristenUnie en SGP, de Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met stapsgewijze verhoging en koppeling aan de stijging van de levensverwachting van de pensioenleeftijd (Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd). Naast een wijziging van het Witteveenkader wijzigt dit de AOW-leeftijd van 65 jaar naar het bovengenoemde. Het was voor het eerst sinds 1957 dat de Eerste Kamer een wet heeft aangenomen die de AOW-leeftijd verhoogde. Er werd gesproken van een ‘historisch’ besluit. Een verdere verhoging van de AOW-leeftijd en de aanvangsleeftijd, voor beide gelijk (in de formule: V) wordt jaarlijks vastgesteld en gaat steeds 5 jaar later in, voor het eerst uiterlijk op 1 januari 2019 voor het jaar 2024. Dit gebeurt steeds bij algemene maatregel van bestuur, als volgt:

V = (L – 18,26) – (P – 65)

waarbij:

  • L staat voor de geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd in het kalenderjaar van verhoging
  • P staat voor de AOW-leeftijd in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar van verhoging

Indien V negatief is of voor afronding minder dan 0,25 bedraagt wordt deze gesteld op 0. Indien V voor afronding 0,25 of meer bedraagt, wordt deze gesteld op 0,25 (een verhoging met 3 maanden).

Het getal 18,26 in de formule is de macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd zoals die gold in de referentieperiode 2000–2009. Bij deze levensverwachting en een AOW-leeftijd van 65 jaar zou deze leeftijd niet verhoogd worden; de verwachte duur van de uitkering zou voor iemand van 65 jaar 18,26 jaar zijn (niet te verwarren met de verwachte toekomstige duur van de uitkering voor iemand als die geboren wordt; door de kans op vooroverlijden is deze lager). Bij een macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd van 20,26 jaar en een AOW-leeftijd van 67 jaar zou deze leeftijd ook niet verhoogd worden; de verwachte toekomstige duur van de uitkering voor iemand van 65 jaar zou iets groter dan 18,26 jaar zijn (omdat bij overlijden binnen 2 jaar de uitkeringsduur 0 is en niet de vanaf de 65-jarige leeftijd resterende levensduur min 2 jaar) en de verwachte duur van de uitkering zou voor iemand van 67 jaar nog iets groter zijn (omdat degenen die die leeftijd niet halen niet meegenomen worden in het gemiddelde). Voor mannen zijn de levensverwachtingen lager dan genoemd, voor vrouwen hoger.

Op basis van de huidige prognoses kan worden verwacht dat de AOW-leeftijd zowel in 2024 als in 2025 met drie maanden wordt verhoogd. In 2025 is de AOW-leeftijd dan 67 jaar en zes maanden. Een verdere verhoging naar 67 jaar en negen maanden is te voorzien in 2027. In 2032 zou de AOW-leeftijd naar 68 jaar kunnen stijgen.

Om de mensen die in 2013 65 jaar worden tijdig over de consequenties voor hen te kunnen informeren, een zorgvuldige uitvoering te kunnen garanderen en de gewenste besparingen te realiseren heeft de behandeling door beide Kamers vóór het zomerreces van 2012 plaatsgevonden. Er was veel kritiek op de snelheid waarmee het wetsvoorstel moest worden behandeld.

De Tweede Kamer heeft de regering in een motie verzocht, na invoering van het wetsvoorstel de mogelijkheden voor een flexibele AOW in de toekomst, bijvoorbeeld bij een uittreedleeftijd van 66 jaar, in kaart te brengen en de mogelijkheden voor deeltijd-AOW hierbij te betrekken.

Enkele vakbonden spannen een civiele procedure aan tegen de Nederlandse staat. De voorschot-/overbruggingsregeling zou te beperkt zijn, waardoor de verhoging van de AOW-leeftijd in strijd zou zijn met Europese wetgeving.

[bewerken] De AOW-leeftijd volgens het Regeerakkoord 2012

Volgens het Deelakkoord begroting 2013 en het Regeerakkoord 2012 wordt de AOW-leeftijd voor wie geboren is in oktober 1950 of later nog hoger, namelijk:

  • 65 jaar en 6 maanden voor wie geboren is in de periode oktober 1950 – juni 1951 (AOW-uitkering vangt aan in 2016)
  • 65 jaar en 9 maanden voor wie geboren is in de periode juli 1951 – maart 1952 (AOW-uitkering vangt aan in 2017)
  • 66 voor wie geboren is in de periode april – december 1952 (AOW-uitkering vangt aan in 2018)
  • 66 jaar en 4 maanden voor wie geboren is in de periode januari – augustus 1953 (AOW-uitkering vangt aan in 2019)
  • 66 jaar en 8 maanden voor wie geboren is in de periode september 1953 – april 1954 (AOW-uitkering vangt aan in 2020)
  • 67 jaar voor wie geboren is in de periode mei – december 1954 (AOW-uitkering vangt aan in 2021)
  • voor wie geboren is na 1954, op basis van een inhaaloperatie wegens de gestegen levensverwachting volgens de wet van juli 2012 tot een AOW-leeftijd van 67 jaar en 6 maanden (maar nog geen rekening houdend met verdere stijging van de levensverwachting):
    • 67 jaar en 3 maanden voor wie geboren is in de periode januari – september 1955 (AOW-uitkering vangt aan in 2022)
    • 67 jaar en 6 maanden voor wie geboren is vanaf oktober 1955 (AOW-uitkering vangt aan in 2023 of later)

Daarmee is de verhoging van de AOW-leeftijd ten opzichte van die volgens de wet van juli 2012 globaal stijgend met de geboortemaand, maar schommelend door de andere indeling in geboortecohorten (bij de hoge waarden is niet alleen een hogere AOW-leeftijd per kalenderjaar van toepassing, maar ook een later kalenderjaar) en uiteindelijk dalend naar nul:

  • 1 maand voor wie geboren is in de periode oktober 1950 – juni 1951 (AOW-uitkering vangt aan in 2016)
  • 4 maanden voor wie geboren is in juli 1951 (AOW-uitkering vangt aan in 2017 i.p.v. 2016)
  • 2 maanden voor wie geboren is in de periode augustus 1951 – maart 1952 (AOW-uitkering vangt aan in 2017)
  • 5 maanden voor wie geboren is in de periode april – mei 1952 (AOW-uitkering vangt aan in 2018 i.p.v. 2017)
  • 3 maanden voor wie geboren is in de periode juni – december 1952 (AOW-uitkering vangt aan in 2018)
  • 7 maanden voor wie geboren is in de periode januari – maart 1953 (AOW-uitkering vangt aan in 2019 i.p.v. 2018)
  • 4 maanden voor wie geboren is in de periode april – augustus 1953 (AOW-uitkering vangt aan in 2019)
  • 8 maanden voor wie geboren is in de periode september – december 1953 (AOW-uitkering vangt aan in 2020 i.p.v. 2019)
  • 5 maanden voor wie geboren is in de periode januari – april 1954 (AOW-uitkering vangt aan in 2020)
  • 9 maanden voor wie geboren is in de periode mei – september 1954 (AOW-uitkering vangt aan in 2021 i.p.v. 2020)
  • 6 maanden voor wie geboren is in de periode oktober – december 1954 (AOW-uitkering vangt aan in 2021)
  • 9 maanden voor wie geboren is in de periode januari – juni 1955 (AOW-uitkering vangt aan in 2022 i.p.v. 2021)
  • 6 maanden voor wie geboren is in de periode juli – september 1955 (AOW-uitkering vangt aan in 2022)
  • 9 maanden voor wie geboren is in de periode oktober 1955 – maart 1956 (AOW-uitkering vangt aan in 2023 i.p.v. 2022)
  • 6 maanden voor wie geboren is in de periode april – december 1956 (AOW-uitkering vangt aan in 2023, of in 2024 i.p.v. 2023)
  • 3 maanden voor wie geboren is in de periode januari – september 1957 (AOW-uitkering vangt aan in 2024, of 2025 i.p.v. 2024)
  • 0 maanden voor wie geboren is vanaf oktober 1957 (AOW-uitkering vangt aan in 2025 of later)

Planning januari 2013 voor het wetsvoorstel:

  • Indiening TK maart 2014
  • Indiening EK augustus 2014
  • Publicatie december 2014
  • Inwerkingtreding 2016

[bewerken] Bijkomende maatregelen verhoging AOW-leeftijd

Bij de bovengenoemde twee eerdere wetsvoorstellen voor verhoging van de AOW-leeftijd (die zijn ingetrokken) werd aangekondigd dat er een wetsvoorstel Wijziging van een aantal wetten in verband met aanpassing van de leeftijdsgrenzen aan de verhoging van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat (Aanpassingswet verhoging AOW-leeftijd) zou komen.[42][43] Voor zover niet inmiddels doorgevoerd in het kader van de aangenomen wet (zie onder) waren de geplande veranderingen onder meer ook:

  • Arbeidsvoorwaardelijke regelingen zoals leeftijdsontslagregelingen en aanvullingen op sociale zekerheid (diverse cao’s kennen aanvullingen op de sociale zekerheid, bijvoorbeeld regelingen die in bovenwettelijke aanvullingen voorzien van de WW of arbeidsongeschiktheid: cao’s zouden aangepast kunnen worden, waarbij leeftijden in regelingen meeschuiven met de AOW-leeftijd. Het Kabinet was in ieder geval voornemens dit te doen in de publieke sector voor wat betreft het functioneel leeftijdsontslag.

Bij kortingen voor 65-plussers op openbaar vervoer (o.a. 34% korting voor 65-plussers bij het stad-/streekvervoer, korting voor 65-plussers bij de nieuwe abonnementen van NS), attracties, enz. zou de leeftijd ook verhoogd kunnen worden, wat voor de betrokkene extra nadeel zou betekenen.

[bewerken] Bijkomende maatregelen in verband met de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd

Het Besluit van 2 augustus 2012 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de verhoging van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat (Besluit aanpassing wetten inzake verhoging AOW-leeftijd) wijzigt met de AOW-leeftijd samenhangende leeftijdsgrenzen in andere sociale zekerheidswetten zoals de WW, WAO, WIA, ANW, IOAW / IOW, IOAZ en WWB en overige wetten. Het Besluit van 2 augustus 2012 tot wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met de verhoging van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat (Tweede Aanpassingsbesluit inzake verhoging AOW-leeftijd) wijzigt een aantal besluiten.

Deze aanpassingen konden plaatsvinden bij algemene maatregel van bestuur omdat ter bespoediging de wet de volgende delegatiebepaling bevat:

  • Wetten die als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd aanpassing behoeven kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover dit noodzakelijk is voor de toepassing van die wetten of ter voorkoming van onaanvaardbare gevolgen.
  • Algemene maatregelen van bestuur die als gevolg van de van de verhoging van de AOW-leeftijd aanpassing behoeven kunnen, zo nodig in afwijking van de wet waarop zij zijn gebaseerd, worden gewijzigd.

Na de plaatsing in het Staatsblad van een krachtens deze delegatiebepaling vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet van gelijke strekking zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen acht weken bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken. Inmiddels is aangenomen het Voorstel van wet houdende goedkeuring van de algemene maatregel van bestuur tot aanpassing van wetten inzake verhoging AOW-leeftijd (Goedkeuringswet verhoging AOW-leeftijd),

Als onderdeel van het Belastingplan 2013 zijn aangepast de uiterste ingangsdata voor pensioenen, levensloop, lijfrenten en vitaliteitssparen, de regels inzake variabilisering van pensioenuitkeringen, het tijdstip waarop de fiscale oudedagsreserve afneemt, het uiterste tijdstip waarop aanspraak kan worden gemaakt op de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek, de omzettingsregeling van stakingswinst in een lijfrente, de middelingsregeling, de ouderentoeslag voor box 3, de ouderenkorting, de regeling inzake uitgaven voor specifieke zorgkosten en het heffingvrije vermogen.

De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers wordt afzonderlijk gewijzigd. Voor een wijziging van deze wet gelden namelijk aparte regels.

De regering stelt zich voor dat als een gemeente een voorziening op het vlak van het openbaar vervoer biedt voor personen vanaf 65 jaar, deze leeftijdsgrens meeschuift.

[bewerken] Voorschotregeling

Omdat de AOW-leeftijd tot 2013 altijd constant was en de verhoging maar kort voor invoering is vastgesteld zouden mensen die niet aanvullend kunnen of willen werken en ook geen uitkering krijgen die doorloopt, liquiditeitsproblemen kunnen ondervinden. Daarom geldt volgens de wet van juli 2012 het volgende (de regeling komt volgens het Deelakkoord begroting 2013 en het Regeerakkoord 2012 overigens weer te vervallen en wordt dan vervangen door een andere overbruggingsregeling, zie onder).

Artikel 22 biedt voor wie geboren is in de periode jan 1948 – sept 1950 gedurende de 1 – 3 maanden waarover de AOW-uitkering niet doorgaat de mogelijkheid van een voorschot op de AOW-uitkering in de vorm van een renteloze lening. Het gaat dus om een netto bedrag (niet belast, aflossing niet aftrekbaar).

De hoogte is 6/7 van de netto AOW-uitkering.[44] Aflossing vindt plaats door inhouding op de AOW-uitkering gedurende 6 maal de periode waarover de leningsbedragen zijn ontvangen, dus 0,5 – 1,5 jaar, te beginnen in de eerste volle kalendermaand dat AOW-uitkering wordt ontvangen (1, 2 of 3 maal 6 maanden AOW-uitkering worden over 1, 2 of 3 maal 7 maanden gespreid).

De mogelijkheid dit voorschot aan te vragen is, indien men daarvan afziet, geen beletsel voor een uitkering Wet werk en bijstand, d.w.z. het voorschot wordt uitgezonderd in de artikelen 15 (geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening) en 31 (geen recht op bijstand bestaat voor zover men redelijkerwijs kan beschikken over een vermogens- of inkomensbestanddeel) van de WWB. Voor wie het voorschot daadwerkelijk aanvraagt telt het voor de bijstand wel als inkomen en krijgt men dus meestal geen WWB meer.

De regering stelt: “Doordat het voorschot in de vorm van een renteloze lening wordt gegeven, heeft de voorschotverlening en terugbetaling geen gevolgen voor het belastbaar inkomen (verzamelinkomen) van betrokkenen. Hiermee heeft terugbetaling van het voorschot geen gevolgen voor het recht op huurtoeslag, zorgtoeslag, inkomensafhankelijke ouderenkortingen en/of andere regelingen.”, maar anderzijds: “De overweging van het UWV om het voorschot op hun toekomstige AOW in het Inkomensbesluit sociale zekerheidswetten uit te zonderen van het inkomensbegrip van de Toeslagenwet en AOW is niet overgenomen. Het voorschot is bedoeld om overbruggingsproblemen te voorkomen. Als iemand recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet heeft, dan zal die persoon geen overbruggingsproblemen kennen: deze toeslag zal immers doorlopen tot aan de nieuwe AOW-leeftijd.” Dit zou dus betekenen dat het voorschot onder het inkomensbegrip van de Toeslagenwet valt (waardoor het aanvragen van het voorschot het recht op de toeslag aantast), hoewel dit niet is geregeld in het besluit of een van de beide betrokken wetten.

Volgens de regering ligt het netto-inkomen (inclusief MKOB) na aftrek van de aflossing voor mensen zonder aanvullend pensioen of overig inkomen voor een alleenstaande op € 880 per maand excl. vakantietoeslag, nog iets boven het bijstandsniveau van een 65-minner. Daarbij moet echter in aanmerking worden genomen dat, zoals gezegd, het aflossen geen invloed heeft op inkomensafhankelijke regelingen; men krijgt dus bijvoorbeeld minder huur- en zorgtoeslag dan op basis van een inkomen van € 880 per maand.[45] De schuld wordt niet kwijtgescholden bij overlijden.

[bewerken] Overbruggingsregeling

In januari 2013 zijn de contouren van een eerder aangekondigde overbruggingsregeling gepubliceerd.[46][47] Het wordt een ministeriële regeling op grond van artikel 3, eerste lid, juncto artikel 9 van de Kaderwet SZW-subsidies.

De uitkering loopt van de 65-jarige leeftijd tot de AOW-leeftijd maar uiterlijk tot 1 januari 2019 (op basis van de geplande snellere verhoging van de AOW-leeftijd duurt de uitkering daardoor maximaal een jaar).

Voorwaarde is dat op 1 januari 2013 al een uitkering loopt, tot aan de 65-jarige leeftijd. Dit kan zijn een VUT-uitkering of prepensioen (bijvoorbeeld FPU), of bijvoorbeeld een particuliere arbeidsongeschiktheidsuitkering, een lijfrente-uitkering, of een aanvullend pensioen dat op 65-jarige leeftijd verlaagd wordt (omdat volgens de verwachtingen van destijds dan de AOW zou ingaan).

Het totale inkomen wordt hoogstens tot het sociaal minimum aangevuld, behoudens vrijlating, overeenkomstig de inkomstenvrijlating van de AOW-partnertoeslag, van inkomen uit arbeid. De overbruggingsuitkering is bovendien niet hoger dan de uitkering die men heeft tot aan de 65-jarige leeftijd. Aanvullende voorwaarden:

  • Het inkomen voorafgaand aan de 65-jarige leeftijd (tijdens de periode van prepensioen enz.) was minder dan 1,5 maal het minimumloon.
  • Er geldt een vermogenstoets: zijn vermogen is niet meer dan het heffingvrije vermogen in box 3 (ongeveer €20.000); als vermogen tellen niet mee het eigen huis en het pensioenvermogen.

Ouderentoeslag en bijzondere vrijstellingen zijn hierbij niet van toepassing. Er wordt ook rekening gehouden met het inkomen en vermogen van een eventuele partner.

Met de Wet VPL is de fiscale faciliëring van VUT- en prepensioenregelingen beperkt tot mensen geboren vóór 1950. Voor hen is er een AOW-gat van één tot drie maanden, zie ook AOW-gat bij VUT en prepensioen.

De voorschotregeling komt volgens het plan te vervallen. De regering heeft echter aangekondigd de voorschotregeling niet eerder af te schaffen dan nadat er duidelijkheid is over het ontwerp van de overbruggingsregeling. De samenhang met de voorschotregeling zal dan nader bepaald moeten worden (zoals bijvoorbeeld eventuele vervroegde aflossing van een ontvangen voorschot door iemand die in aanmerking komt voor de overbruggingsregeling).

Het schrappen van de voorschotregeling wordt meegenomen bij de Verzamelwet SZW 2013. Planning:

  • Indiening TK maart 2013
  • Indiening EK mei 2013
  • Inwerkingtreding 1 juli 2013

[48]

Sommigen die in het kader van het FLO-overgangsrecht tegen het eind van een periode van verlof met opname van levenslooptegoed ontslag hebben genomen met vervroegd pensioen in een hoog-laagconstructie (tot aan de 65-jarige leeftijd een hoger pensioen) eisen terugkeer naar hun baan omdat verhoging van de AOW-leeftijd het inkomen sterk verlaagt van de 65-jarige leeftijd tot de AOW-leeftijd en de (oude en/of nieuwe) overgangsregeling ontoereikend is.[49]

FPU’ers kunnen ook te maken krijgen met het AOW-gat; ook zij voldoen niet altijd aan de voorwaarden.[50][51]

In de tweede helft van 2013 zal de overbruggingsregeling in werking treden met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013.

[bewerken] Standpunten

De standpunten van de partijen zijn als volgt:

  • PVV: 65 jaar
  • SP en 50PLUS: in ieder geval tot 2020 65 jaar (SP: 67- met een zeer hoog inkomen wordt vanaf 2015 gekort)
  • PvdD: t/m 2017 65 jaar, vanaf 2018 stapsgewijs verhogen met in 2030 67 jaar
  • GroenLinks en CU: zoals in de wet van juli 2012
  • D66: in 2021 67 jaar
  • PvdA: eerst wilde men de verhoging van de AOW-leeftijd langzamer invoeren dan volgens de wet van juli 2012, namelijk t/m 2016 65 jaar, in 2017 65,5 jaar, in 2020 66 jaar, in 2025 67 jaar, maar nu samen met de VVD juist sneller, in 2021 67 jaar (zie boven)
  • VVD: eerst in 2018 67 jaar, nu, samen met de PvdA, in 2021 67 jaar (zie boven)
  • CDA: in 2015 66 jaar, in 2020 67 jaar

[bewerken] Financiële effect voor de burger van verhoging van zijn AOW-leeftijd

Betrokkenen zullen hun financiële planning en/of hun verdere levensloopplanning zoals plannen om te stoppen met werken moeten aanpassen.

Een verhoging van de AOW-leeftijd met één maand is voor een alleenstaande een derving van bruto € 1140 (voor zover niet gecompenseerd door die maand te ontvangen loon of een uitkering) en extra heffingen, waaronder maximaal € 500 (netto) aan AOW-premie over de eerste twee schijven van box 1, € 36 (netto) wegens het later ingaan van de alleenstaande-ouderenkorting en eventueel € 64 (netto) wegens het later ingaan van de ouderenkorting. Daar staat onder meer tegenover € 92 (netto) voordeel door het later verlagen van de algemene heffingskorting. Als er geen andere inkomsten zijn gaat het volgens de regering bij een alleenstaande om circa € 1.080 netto. Bij flinke andere inkomsten (zowel met als zonder AOW in de 3e schijf) die bruto onafhankelijk zijn van de verhoging van de AOW-leeftijd verandert dit niet zoveel, doordat de gederfde AOW-uitkering dan netto minder is maar de extra AOW-premie meer. Bij hoge andere inkomsten (zowel met als zonder AOW in de 4e schijf) gaat het om € 114 minder dan in het voorgaande geval.

Een werknemer die langer mag/moet doorwerken zal vaak meer verdienen dan hij aan AOW-uitkering gehad zou hebben.

Indien een minimumuitkering zoals WWB / IOAW / IOW / Anw langer doorloopt komt dit er min of meer op neer dat de derving van AOW-uitkering wordt vergoed. Indien een loongerelateerde uitkering langer doorloopt (WAO/WIA, of een WW-uitkering waarvan de duur nog niet is verstreken) zal deze (als hij gebaseerd is op een hoger loon dan het minimumloon) hoger zijn dan de AOW-uitkering zou zijn geweest. Zelfs voor wie de loondervingsuitkering al ontving op het moment dat de verhoging van de AOW-leeftijd bekend werd wordt dus niet alleen de derving van AOW-uitkering vergoed, maar onverwacht ook nog een extra bedrag voor het niet kunnen werken tussen de 65-jarige leeftijd en de AOW-leeftijd, een periode waarin men in veel gevallen, voordat men arbeidsongeschikt of werkloos werd, toch al niet had kunnen verwachten te kunnen doorwerken. (De grootste weglek van besparingen voor de overheid komt door de WAO/WIA, zie onder.)

Anderzijds zijn er loondervingsregelingen die niet doorlopen. Naast de loondervingsschade die door de regeling gedeeltelijk vergoed wordt is er dan de schade door de verhoging van de AOW-leeftijd die er bovenop komt en niet vergoed wordt. Dit geldt voor een private arbeidsongeschiktheidsverzekering en voor zover niet gerepareerd, voor bovenwettelijke werkloosheidregelingen (aansluitende uitkering).

[bewerken] Financiële effect voor de overheid van verhoging van de AOW-leeftijd

De verhoging per 1 januari 2013 van de AOW-leeftijd naar 65 jaar en een maand is vroeg of laat van eenmalig belang voor iedereen die geboren is vóór 1949, ongeveer 200.000 mensen per geboortecohort van een jaar.

De besparing per jaar is € 175 mln aan AOW en € 10 mln aan AIO/MKOB en € 50 mln aan extra belasting- en premie inkomsten: latere ingang vrijstelling betaling AOW-premie en belasting over inkomsten uit langer werken en langer ontvangen van (hogere) uitkeringen. Daar staat tegenover een weglek van € 80 mln: € 55 mln aan WAO/WIA, € 15 mln aan WW en WWB en € 10 mln aan Anw. Per saldo is de besparing (geen rekening houdend met de voorschot- of overbruggingsregeling) dus € 155 mln.

Dit is zoals gezegd de jaarlijkse besparing bij een eenmalige verhoging van de AOW-leeftijd met een maand. Bij een jaarlijkse verhoging van de AOW-leeftijd met een maand neemt de besparing elk jaar toe. Doordat de jaarlijkse verhoging van de AOW-leeftijd wordt vergroot tot drie of vier maanden per jaar neemt de besparing elk jaar nog sneller toe.

[bewerken] Samenhang met aanvullend pensioen

De (nominale) pensioeningangsdatum van het aanvullend pensioen zal in de regel vanaf 2014 aangepast zijn aan de verhoogde fiscale pensioenrichtleeftijd van 67 jaar (en later verder stijgen zodat die niet onder de AOW-leeftijd komt). Men mag dan het aanvullend pensioen op die leeftijd laten ingaan of naar keuze eerder. Het mag ook later ingaan, maar alleen als men tot die datum doorwerkt (doorwerkvereiste).

Als men vóór de AOW-leeftijd zonder recht op een uitkering stopt met werken kan het aanvullende pensioen bijvoorbeeld ingaan wanneer men stopt met werken, of op de AOW-leeftijd, of later, uiterlijk op 67-jarige leeftijd. Het ingaan wanneer men stopt met werken (zelfs als men van spaargeld zou kunnen leven) kan voordelig zijn om in de periode vanaf het stoppen met werken tot de AOW-leeftijd de algemene heffingskorting en het lagere tarief van de eerste schijf van box 1 te benutten.

Als men doorwerkt of een uitkering heeft tot de AOW-leeftijd is het eerder ingaan van het aanvullende pensioen meestal niet voordelig. Men kan het aanvullende pensioen dan beter laten ingaan op de AOW-leeftijd of later, uiterlijk op 67-jarige leeftijd.

[bewerken] Exporteerbaarheid

De Wet van 27 mei 1999, tot wijziging van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere wetten in verband met de beperking van het exporteren van uitkeringen (Wet beperking export uitkeringen), kortweg Beu, heeft artikel 9a aan de AOW toegevoegd, dat bepaalt dat alleen het bedrag dat per persoon geldt voor gehuwden exporteerbaar is, dus niet de toeslag voor een alleenstaande, enz. De AIO is ook niet exporteerbaar.

[bewerken] Trivia

  • Het Nederlands record voor het grootste aantal broers en zussen dat tegelijk AOW kreeg, staat voor zover bekend op naam van de dertien broers en zussen Slob, geboren tussen 1917 en 1939 in Tricht en Den Haag. Toen de jongste op 14 juni 2004 de leeftijd van 65 bereikte en dus AOW kreeg, leefden al zijn oudere broers en zussen nog. In maart 2006 overleed een broer, Goof, op 86-jarige leeftijd.
  • Hendrikje van Andel-Schipper was tot haar overlijden in 2005 nog de enig overgebleven inwoner van Nederland die AOW heeft genoten sinds de invoering ervan in 1957.

[bewerken] Externe links

Bronnen, noten en/of referenties

  1. Ook de Raad van State heeft gesteld dat het tempo van de verhoging van de AOW-leeftijd feitelijk hoger is dan die werd voorgesteld, zie voetnoot 5 (voetnoot 1 van pagina 2) in [1].
  2. Bij het tempo van de verhoging van de AOW-leeftijd moet onderscheid gemaakt worden tussen het tijdsverloop tussen de verhogingen (de komende jaren steeds een jaar) en de grootte van het interval van geboortedata van het geboortecohort waarvoor één bepaalde AOW-leeftijd van toepassing is. Iemands leeftijd (die stijgt met een tempo van een jaar per jaar) moet de AOW-leeftijd inhalen. In het geval van een verhoging van de AOW-leeftijd met 3 maanden per kalenderjaar gebeurt dit met een tempo van 9 maanden per jaar; iemand die op enig moment een bepaald aantal jaren jonger is dan de op dat moment geldende AOW-leeftijd krijgt dus (behoudens afronding) AOW na 4/3 van dit aantal jaren. In het geval van een verhoging van de AOW-leeftijd met 4 maanden per kalenderjaar gebeurt dit met een tempo van 8 maanden per jaar; iemand die op enig moment een bepaald aantal jaren jonger is dan de op dat moment geldende AOW-leeftijd krijgt dus (behoudens afronding) AOW na 3/2 van dit aantal jaren.
  3. Wajongers zijn geboren na 1967, dus deze bereiken voorlopig de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet.
  4. http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/algemene-ouderdomswet-aow/vraag-en-antwoord/mag-ik-ontslagen-worden-als-ik-65-jaar-word.html
  5. Tot 1 januari 2013 is het iets ingewikkelder doordat de Wet uniformering loonbegrip dan nog niet geldt: voor de loonheffing moet de vergoeding van de IAB bij het loon geteld worden.
  6. a b Per 1 januari 2006 is de formulering “na aftrek van de loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon van 65 jaar of ouder rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting” vervangen door “na aftrek van de in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, rekening houdend met de toepasselijke heffingskortingen voor een persoon van 65 jaar en ouder”. Uit de MvT, die spreekt van een technische wijziging, blijkt impliciet dat dit niet de bedoeling had om voortaan rekening te houden met meer heffingskortingen.[2] Dit is ook wel begrijpelijk, want anders zouden speciale heffingskortingen voor ouderen de facto ongedaan gemaakt worden (volledig voor wie geen andere inkomsten heeft en gedeeltelijk voor wie wel andere inkomsten heeft waardoor de verlaging van de bruto AOW-uitkering netto minder nadeel oplevert dan het voordeel van de heffingskorting).
  7. Als dit bedrag in het begin van een loonklasse zou zijn zou het bruteringsprobleem twee oplossingen hebben, waarbij de andere oplossing ongeveer 0,152 × € 4,50 / (1 – 0,071) is € 0,74 lager is. Dit is hier niet van toepassing.
  8. Vergelijk de berekening met toepassing van 1,95 in plaats van 2 maal de algemene heffingskorting [3]. Beide bedragen zijn daarbij € 8,50 lager, het verschil is dus hetzelfde.
  9. In het geval van partnertoeslag of als de AOW-gerechtigde een minderjarig kind onderhoudt kan de uitkering wel van een zodanige hoogte zijn dat loonheffing wordt ingehouden. Ook als men ervoor kiest dat geen heffingskorting in aanmerking wordt genomen (bijvoorbeeld omdat men die in aanmerking laat nemen bij ander inkomen) wordt er wel loonheffing ingehouden.
  10. Motie afzien van het schrappen van de uitzondering in de AOW van bloedverwanten eerste graad bij samenwonen
  11. Stemming over motie afzien van het schrappen van de uitzondering in de AOW van bloedverwanten eerste graad bij samenwonen
  12. http://https:zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33400-XV-13.html
  13. Fraude, svb.nl
  14. SVB Beleidsregels
  15. Motieven achter fraude met sociale zekerheid
  16. [4] Herleiding gedeelten van kalenderjaren en van jaarpremies.
  17. De termijn is met ingang van 2010 gewijzigd van 5 jaar in 10 jaar, Wet van 17 december 2009 tot wijziging van de Wet werk en bijstand, de Algemene Ouderdomswet en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met de overheveling van de uitvoering van de aanvullende bijstand voor personen van 65 jaar of ouder van de gemeenten naar de Sociale Verzekeringsbank en het aanbrengen van enkele andere aanpassingen in de Algemene Ouderdomswet en tot wijziging van enkele sociale verzekeringswetten in verband met de gelijkstelling binnen de sociale zekerheid van voormalige pleeg- en stiefkinderen met eigen kinderen.
  18. Rekenhulp inkoopregeling AOW, svb.nl
  19. Vrijwillige Verzekering, svb.nl
  20. a b Notitie “Inkoopregeling AOW”
  21. Zie “verplichte inkoop van AOW-opbouw” in [5].
  22. Dit wordt geïllustreerd met het feit dat wie in Nederland woont en weinig of geen inkomen heeft geen premie betaalt, maar het is een nogal verwarrende opmerking in het licht van de inkoopregeling.
  23. Vóór 2010 heette dit WWB65+.
  24. Juninota 2012, SVB
  25. Thesis: “The changing role of premiums” René Louis Pierre Mahieu, 4 juli 2008
  26. ‘Fiscalisering aow niet door vergrijzing’ Economisch Statistische Berichten, 25 januari 2008
  27. Zie [6] p. 13 voor de ontwikkeling van de uitkeringen tot 1964.
  28. ‘Levensverwachting ouderen sterk gestegen’, CBS Webmagazine, 23 november 2011
  29. Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen
  30. Besluit van 9 februari 2012 tot aanpassing van diverse besluiten in verband met de Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen
  31. Memorie van toelichting Algemene ouderdomsverzekering
  32. Tweede kamer: Stemmingen in verband met het wetsvoorstel ‘Opheffing van het Spaarfonds AOW’, 28 juni 2011
  33. De spaarfonds leugen, Volkskrant, maart 2006
  34. Wel is er hard gespaard via de meestal collectieve pensioenpremies, aftrekbaar in Box 1. De collectieve pensioenpot bedroeg in 2011 1000 miljard. Alleen door de jaarlijkse premieaftrek van 30 miljard in Box 1, groeit dit bedrag nog steeds. Daarop rust een belastingclaim van circa 30% en een claim premie zorgverzekeringswet van circa 5% bij uitbetaling later deze eeuw. Derhalve ruim 300 miljard euro.
  35. Keuzemogelijkheid in uitstel AOW. Persbericht Ministerie van SZW, 29 augustus 2008
  36. Kabinet: AOW gaat naar 67 jaar omwille van overheidsfinanciën FD.nl, 25 maart 2009
  37. Coalitie akkoord over verhoging AOW-leeftijd, NRC, 16 oktober 2009
  38. eenvandaag.nl, 14 oktober 2009
  39. aowomhoog.nl
  40. Dit waren de plannen in het Catshuis (t.w.v. 14,2 miljard)
  41. Toelichting pakket maatregelen stukgelopen bezuinigingsonderhandelingen maart 2012
  42. Brief over Aanpassingswet verhoging AOW-leeftijd
  43. Planning Aanpassingswet verhoging AOW-leeftijd
  44. Deze informatie staat niet in het wetsvoorstel of de toelichting, maar in de nota n.a.v. het verslag.
  45. Daar staat tegenover dat men ten tijde van het lenen (tussen de 65e verjaardag en de AOW-leeftijd) meer huur- en zorgtoeslag krijgt dan op basis van het besteedbare inkomen, dus men zou het “teveel” aan toeslagen kunnen sparen om het “tekort” aan toeslagen op te vangen. Opgemerkt zij nog dat toeslagen worden berekend op basis van het inkomen in een kalenderjaar in het verleden, dus zowel het “teveel” als het “tekort” komen met vertraging.
  46. Contouren overbruggingsregeling AOW
  47. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/02/12/beantwoording-kamervragen-over-de-contouren-van-de-overbruggingsregeling-aow.html
  48. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/jaarplannen/2013/01/10/planning-in-te-dienen-wetsvoorstellen.html
  49. Deelakkoord geen oplossing FLO
  50. Deelakkoord over wijziging AOW en overgangsregime voor FPU
  51. Overheidswerkgevers: ‘U zoekt het maar uit, beste FPU’er’



This article uses material from the Wikipedia article Algemene Ouderdomswet, which is released under the Creative Commons Attribution-Share-Alike License 3.0.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *