De Staatsecretaris van Financiën heeft op 26 mei 2005 besloten om (straf)heffing op VUT-achtige
gouden handdrukken op te leggen. Dit om arbeidsdeelname te bevorderen en Regelingen voor Vervroegde
Uittreding (RVU) niet te omzeilen met een gouden handdruk. Als de ontslagregeling na 26 mei 2005
is overeengekomen, zal getoetst moeten worden of strafheffing van toepassing is.
Stamrechtvrijstelling:
In eerste instantie was het plan om de omzetting van een gouden handdruk in een
recht op periodieke uitkering (stamrecht) niet tussentijds te belasten. Maar de Staatssecretaris
besluit toch (tegen het advies van de SER in) een zogenaamde VUT-strafheffing op te leggen
voor stamrechten. Deze heffing bedraagt 26% en in 2011 wordt de heffing 52% en wel over de
netto uitkering. De plannen om de WW te korten is nu van de baan.
Dit besluit was op 7 juni 2005 tot nader order opgeschort.
Staatssecretaris Wijn heeft dit besluit al nader toegelicht:
-
Er is in ieder geval geen sprake van vervroegde uittreding indien een ontslaguitkering om
een andere reden wordt gegeven dan om het mogelijk te maken om te stoppen met werken tot aan het
pensioen.
Een andere reden (dan vervroegde uittreding) om een werknemer te ontslaan is bijvoorbeeld een
reorganisatie of individueel ontslag vanwege het disfunctioneren van de werknemer.
In deze situaties is geen sprake van eindheffing, noch op het moment van toekenning, noch
op een ander moment.
-
Voor de situaties waarin geen sprake is van reorganisatie of disfunctioneren, zal de
financiële regeling bij ontslag worden getoetst op basis van het besluit van 26 mei 2005.
Op grond daarvan kan de conclusie alsnog zijn dat geen sprake is van een (VUT-)eindheffing.
Als geen van beide besluiten soelaas biedt, zal de inspecteur moeten
bewijzen dat de (VUT-)eindheffing van artikel 32aa van toepassing is.
Het besluit van 26 mei is in beginsel wel van toepassing als een gelijke groep oudere werknemers wordt
ontslagen die
een financiële regeling ter overbrugging naar de 65-jarige leeftijd of eerdere pensioendatum dan wel
ter aanvulling op pensioen krijgt aangeboden. Te denken valt bijvoorbeeld aan een regeling op grond
waarvan werknemers vanaf een bepaalde leeftijd (bijvoorbeeld 55, 60, 62) de mogelijkheid hebben om
met financiële ondersteuning uit te treden. In dat geval is immers kennelijk sprake van een vermomde
regeling voor vervroegd uittreden.
De Staatssecretaris moet nog in een beleidsmaatregel dit besluit (defintief) vastleggen.
We houden u op de hoogte.
Hieronder de belangrijkste punten van het 26 mei besluit:
Overgansregeling bestaande stamrechten:
Geen VUT-strafheffing voor werknemers:
- die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt of
- die voor 1 januari 2006 al (stamrecht)uitkeringen genieten of
- die voor 26 mei 2005 een stamrecht hebben geregeld, mits
de arbeidsovereenkomst uiterlijk op 31 december 2005 wordt ontbonden
Ontslaguitkering na 26 mei 2005:
Geen VUT-strafheffing als:
- de periodieke stamrechtuitkeringen eindigen voor de 55-jarige leeftijd, terwijl geen enkele uitkering
hoger is dan 100% van het laatstgenoten jaarsalaris, de zogenaamde 55%-toets, of
- de hoogte van direct ingaande gelijkblijvende periodieke stamrechtuitkeringen,
rekening houdend met de naar verwachting te ontvangen uitkeringen op grond van o.a. de WW,
WAO, ZW, VUT, prepensioen en levensloopregeling, niet meer bedraagt dan 70% van het laatstgenoten
jaarsalaris, de zogenaamde 70%-toets
Bij de 55%-toets hoeft geen rekening te worden gehouden met eventuele andere uitkeringen.
Wordt er voldaan aan de 70%-toets dan mag de laagste uitkering niet minder zijn dan 75%
van de hoogste uitkering.
Verwacht u binnenkort een gouden handdruk en heeft u vragen, stel ze gerust.
Brief staatssecretaris
de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Datum 7 juni 2005
Uw brief (Kenmerk): 05-SZW-B-116
Ons kenmerk : WDB 2005-00379
Onderwerp
Beleidsbesluit 26 mei 2005, nr. DGB 2005/3299 (Loonheffing.
Begrip regeling vervroegde uittreding; afgrenzing met loonstamrechten
en eenmalige ontslaguitkeringen; overgangsrecht)
Bij deze deel ik u mede dat ik op verzoek van uw commissies voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en voor Financiën de uitvoeringsinstructie (het beleidsbesluit d.d. 26 mei 2005, nr. DGB 2005/3299)
inzake de toepassing van de stamrechtvrijstelling in het kader van de sinds 1 januari 2005 vigerende
wet VPL voorlopig opschort.
Hoewel deze uitvoeringsinstructie is uitgebracht op verzoek van de Eerste Kamer, ben ik bereid
deze te betrekken bij de op 30 juni te voeren discussie over het SER-advies inzake de WW en
het ontslagrecht in uw Kamer. Ik ga er daarbij vanuit dat deze discussie met inachtneming van
de wet VPL zoals deze is komen te luiden na het amendement-Verburg /Depla, wordt gevoerd.
Ik zal de Belastingdienst opdragen tot dat moment geen VUT-heffing toe te passen op stamrechten
en ontslagvergoedingen.
De Staatssecretaris van Financiën,
Besluit over heffing gouden-haddruk door staatssecretaris van financien, de heer Wijn. De gouden-handdruk danwel
stamrechtvrijstelling staat op de tocht en hieronder het meer technische besluit over heffing van de
gouden handdruk.
Hieronder het besluit van de Staatssecretaris over gouden handdruk :
Loonheffing. Begrip regeling voor vervroegde uittreding; afgrenzing met loonstamrechten en eenmalige
ontslaguitkeringen; overgangsrecht
Directoraat-generaal Belastingdienst
Team particulieren en formeel recht
Besluit van 26 mei 2005, nr. DGB2005/3299M
De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten
Inleiding
Aan mij zijn vragen voorgelegd over de reikwijdte van de definitie van regelingen voor vervroegde uittreding
(RVU) in artikel 32aa, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) indien in verband met ontslag
aan de werknemer (een aanspraak op) een eenmalige of periodieke uitkering wordt toegekend. Naar aanleiding
hiervan heb ik besloten in het onderhavige besluit enige richtlijnen voor de praktijk te verschaffen teneinde
de eenheid van beleid op dit terrein te bevorderen. Ik geef hiermee tevens uitvoering aan de toezegging aan
de Eerste Kamer om een handvat te geven voor de praktijk. Deze toezegging is gedaan op 15 februari 2005 bij
de beraadslaging over de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling
(Stb. 2005, 115, hierna: Wet VPL).
Tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven, worden waar in het hiernavolgende gesproken wordt over "regelingen"
daaronder ook verstaan: gedeelten van regelingen. Een werkgever is in dit besluit een inhoudingsplichtige in de
zin van de Wet LB.
In het navolgende wordt - tenzij anders aangegeven - uitgegaan van de veel voorkomende situatie waarin een
(ex-)werkgever een ontslaguitkering (koopsom, bijdrage) ten behoeve van de (ex-)werknemer stort bij een
stamrechtuitvoerder ter uitvoering van een stamrechtovereenkomst als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
onderdeel g, van de Wet LB. Houdt de werkgever de uitvoering van de overeenkomst in eigen beheer dan geldt
voor hem bij de uitvoering hetgeen hierna wordt opgemerkt over de uitvoerder.
Volledigheidshalve merk ik op dat dit beleidsbesluit uitsluitend van belang is voor regelingen waarop het
in artikel 38c van de Wet LB opgenomen overgangsrecht niet van toepassing is. In overeenstemming met hetgeen
hierover bij de parlementaire behandeling is opgemerkt, kan artikel 38c Wet LB ook worden toegepast op
stamrechtregelingen die op 31 december 2004 bestonden en ingevolge welke uitsluitend uitkeringen kunnen
worden gedaan aan werknemers:
a. die voor 1 januari 2006 reeds een of meer uitkeringen ingevolge deze regeling genoten, of
b. die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt.
Aan de in artikel 38c Wet LB opgenomen voorwaarde van de actuariële herrekening bij uitstel van de
ingangsdatum van de uitkering(en) is per definitie voldaan bij de in dit besluit bedoelde regelingen.
Daarnaast is mij inmiddels gebleken dat zich bij de toepassing van artikel 32aa onbillijkheden van
overwegende aard kunnen voordoen met betrekking tot stamrechtregelingen die vóór de inwerkingtreding van
dit besluit zijn overeengekomen, maar niet onder het hiervoor genoemde overgangsrecht vallen. Mede gelet
op het feit dat er aan het eind van de parlementaire behandeling nog enige onduidelijkheid bleek te bestaan
met betrekking tot de mogelijke toepassing van artikel 32aa op dergelijke regelingen heb ik overeenkomstig
de door mij in de Eerste Kamer gedane toezegging besloten goed te keuren dat stamrechtregelingen die
vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn overeengekomen niet worden aangemerkt als regeling voor vervroegde
uittreding als bedoeld in artikel 32aa van de Wet LB, mits de arbeidsovereenkomst uiterlijk 31 december 2005
is of wordt ontbonden. De bovenstaande goedkeuring geldt eveneens voor (rechten op) eenmalige ontslaguitkeringen
die vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn overeengekomen indien de arbeidsovereenkomst uiterlijk
31 december 2005 is of wordt ontbonden.
Ook voor regelingen als bedoeld in artikel 85b van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (URLB) is dit
beleidsbesluit niet van belang.
In dit besluit zijn twee toetsen opgenomen, die kunnen worden gehanteerd om te bepalen of geen sprake is van
een RVU. Wanneer niet aan deze toetsen wordt voldaan, zal de Belastingdienst in beginsel het standpunt innemen
dat sprake is van een RVU, tenzij uit de aangevoerde feiten en omstandigheden blijkt dat de regeling niet het
karakter van een RVU heeft.
Uitgangspunten
Uitgangspunt van de wetgeving inzake VUT, prepensioen en levensloop is dat de fiscale faciliëring voor
oudedagsvoorzieningen beperkt blijft tot de regelingen voor pensioen, levensloop en lijfrenten. Dat houdt in
dat alle uitkeringen, bijdragen en premies die verband houden met andere regelingen die de facto voorzien in
inkomensvervangende uitkeringen bij ouderdom of overlijden niet langer kunnen rekenen op een onverkorte fiscale
faciliëring. Zo zullen uitkeringen, bijdragen en premies die (nagenoeg) uitsluitend dienen ter overbrugging
van de periode tot de feitelijke ingangsdatum van een pensioenregeling of tot de ingangsdatum van de AOW of
ter aanvulling van pensioenuitkeringen, kunnen worden getroffen door de eindheffing van artikel 32aa van de
Wet LB. Het maakt daarbij niet uit of de uitkering, bijdrage of premie eenmalig is of periodiek, zoals het
geval is bij stamrechten in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdelen f en g, van de Wet LB
(hierna: loonstamrechten of kortweg: stamrechten). Onder pensioenregeling wordt in artikel 32aa,
zesde lid, van de Wet LB verstaan: een pensioenregeling als bedoeld in Hoofdstuk IIB en
Hoofdstuk VIII van de Wet LB.
Voorzover in dit besluit de conclusie dat een stamrechtregeling of een eenmalige ontslaguitkering geen
RVU is, (mede) afhankelijk is van de pensioendatum van de regelingen waar de (ex-)werknemer rechten aan
kan ontlenen, geldt die conclusie slechts zolang die pensioendatum niet wordt vervroegd.
Dit om manipulaties met deze datum te voorkómen. Voorts moet bij wijzigingen in de voorwaarden
van de (stamrecht)overeenkomst opnieuw worden getoetst in hoeverre nog sprake is van een niet als
RVU aan te merken regeling.
Toetsing
Op grond van artikel 32aa, zesde lid, van de Wet LB dient onder een regeling voor vervroegde
uittreding te worden verstaan een regeling die (nagenoeg) uitsluitend ten doel heeft de periode te
overbruggen tot de ingangsdatum van de AOW (AOW-datum, 65-ste verjaardag) dan wel de eerdere feitelijke
ingangsdatum van het pensioen (pensioendatum) en/of uitkeringen ingevolge een pensioenregeling aan te
vullen. Bij de hiervoor genoemde pensioendatum hoeft uit oogpunt van uitvoerbaarheid uitsluitend rekening
te worden gehouden met de pensioenregeling van de dienstbetrekking waaruit de werknemer wordt ontslagen.
Om misbruik te voorkomen worden voor de toepassing van dit besluit de dienstbetrekkingen van een werknemer
bij een of meer verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, beschouwd als één dienstbetrekking. Ingeval de uitkeringen niet
worden vastgesteld in euro's, maar bijvoorbeeld in beleggingseenheden, dient voor de toetsing
de berekeningswijze te worden gevolgd zoals ik die heb beschreven in mijn besluit van
1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M.
In de volgende onderdelen wordt aangegeven wanneer stamrechtregelingen in ieder geval geen RVU zijn.
Stamrechten waarbij de ingangsdatum van de uitkeringen bij toekenning vaststaat
Bij dit soort regelingen zijn voldoende gegevens aanwezig om bij de toekenning van het stamrecht al
definitief te bepalen dat geen sprake is van een RVU. Voor de afgrenzing tussen een "normaal" stamrecht
en een RVU kan dan het volgende gelden.
A. De 55-jaar-toets
Een stamrechtregeling waarbij de ingangsdatum van de uitkeringen bij in leven zijn van de werknemer
vaststaat, is geen RVU indien de periodieke uitkeringen in ieder geval eindigen uiterlijk op de dag
voordat de (ex-)werknemer de 55-jarige leeftijd bereikt terwijl geen enkele uitkering op jaarbasis
hoger is dan 100% van het (laatstgenoten) reguliere jaarloon uit de dienstbetrekking waaruit de
werknemer wordt ontslagen.
Toelichting:
1.Met behulp van deze vrij simpele toets wordt bereikt dat een grote groep van jongere werknemers
stamrechtuitkeringen kan genieten zonder dat de (voormalige) werkgever of de stamrechtuitvoerder wordt
getroffen door de eindheffing.
2.De grens van 100% wordt gesteld om ophoping van de uitkeringen tegen de 55-ste verjaardag en uitsmering
daarvan over de periode daarna te voorkomen.
B. De 70%-toets
Indien niet wordt voldaan aan de 55-jaar-toets (omdat de periodieke uitkering later eindigt dan op de
onder A genoemde datum dan wel niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat geen enkele uitkering op jaarbasis
hoger is dan 100% van het (laatstgenoten) reguliere jaarloon) mag nog de 70%-toets worden toegepast.
Dit geldt alleen in de situatie dat de uitkeringen uiterlijk ingaan op de dag die 24 maanden voorafgaat
aan de AOW-datum dan wel de eerdere pensioendatum. Bij de 70%-toets vindt een actuariële berekening plaats
uitgaand van de ingangsdatum van het stamrecht. Bij de berekening dient naar actuariële maatstaven berekend
te worden wat uit de waarde van het recht aan maximale gelijkblijvende periodieke uitkeringen kan worden
gekocht met een looptijd vanaf de ingangsdatum tot aan de dag die 24 maanden voorafgaat aan de AOW-datum
dan wel de eerdere pensioendatum. Deze berekening dient netto actuarieel plaats te vinden op basis van een
recente overlevingstafel, waarbij leeftijdscorrecties worden gesteld op man - 5 en vrouw - 6, gerekend wordt
op basis van nominale gelijkblijvende uitkeringen en een rekenrente van ten minste 3% wordt gehanteerd.
Indien de op basis van deze berekening resulterende jaarlijkse uitkering gelijk is aan of minder bedraagt dan
70% van het laatstgenoten reguliere loon, is de regeling geen RVU.
Bij deze toetsing dient - in tegenstelling tot de toetsing onder A - bij het bepalen van de 70%-grens wel
rekening te worden gehouden met de naar verwachting te ontvangen uitkeringen uit dezelfde vroegere
dienstbetrekking (WW, ZW, WAO, VUT, prepensioen (voor zover niet overgeheveld naar de huidige pensioenregeling),
levensloop e.d.). Deze uitkeringen dienen derhalve voor de toetsing te worden ingebouwd.
Nadat volgens de 70%-toets is vastgesteld dat geen sprake is van een RVU dient het stamrecht - wil het ook
daarna gevrijwaard blijven van de eindheffing - te (blijven) voldoen aan de volgende voorwaarden:
1. De pensioendatum wordt niet meer gewijzigd na de berekening.
2. De laagste uitkering bedraagt niet minder dan 75% van de hoogste uitkering. Bij de toets aan deze voorwaarde
mogen verhogingen van de uitkering die voortvloeien uit een aanpassing aan de loon- of prijsontwikkeling
buiten beschouwing worden gelaten.
Toelichting:
1. Het gaat bij de 70%-toets om uitkeringen die (bij in leven zijn van de (ex-)werknemer) eindigen op of na
de 55-ste verjaardag van de werknemer (of zodanig hoog zijn dat ze geacht moeten worden mede betrekking te
hebben op de periode na de 55-ste verjaardag). Het inkomensvervangende karakter van de stamrechtregeling
gaat in deze periode van het leven geleidelijk aan verschuiven van een voorziening voor pure overbrugging
tot aan de volgende dienstbetrekking naar een oudedagsvoorziening. Daarom wordt de toetsingsgrens verlaagd
naar 70% in plaats van 100% van het laatstgenoten loon.
2. Verder moet ook rekening worden gehouden met andere inkomensvervangende uitkeringen die in deze fase van het
leven ook meer de trekken krijgen van een oudedagsvoorziening.
3. Er is geen sprake van overbrugging indien een uitkering stopt ruim vóór de AOW-datum dan wel de eerdere
pensioendatum. Indien evenwel de uitkering stopt vlak vóór de genoemde datum kan de (ex-) werknemer door
in de voorafgaande periode te sparen toch de periode tot de AOW- of pensioendatum overbruggen. Dat is uiteraard
niet de bedoeling van de RVU-regelgeving. Uit praktische overwegingen is daarom in de toets een absolute
periode van 24 maanden opgenomen die als onderbreking voorafgaande aan de AOW-datum dan wel de eerdere
pensioendatum kan worden aangehouden. Bij een dergelijke periode kan - mits ook aan de overige voorwaarden
is voldaan - worden aangenomen dat de regeling niet (nagenoeg) uitsluitend het doel heeft om de periode tot
aan de AOW-of pensioendatum te overbruggen.
4. De 70%-toets geldt niet voor regelingen waarbij de uitkeringen later ingaan dan op de dag die 24 maanden
voorafgaat aan de AOW-datum dan wel de eerdere pensioendatum. Dergelijke regelingen zal de Belastingdienst
in beginsel aanmerken als RVU.
5. Indien de stamrechtovereenkomst een nabestaandenvoorziening bevat, geldt voor deze nabestaandenvoorziening de
ingangsdatum van het nabestaandenpensioen als pensioendatum.
6. Het gaat bij de 70%-toets om een fictieve berekening. Indien deze berekening leidt tot de conclusie dat
geen RVU aanwezig is, kunnen de werkelijke looptijd en de werkelijke hoogte van de termijnen
(mits de uitkeringen daadwerkelijk binnen de genoemde bandbreedte blijven, zie opmerking 7) van de regeling
dus afwijken zonder dat de regeling daardoor een RVU wordt.
7. Hoewel de 70%-toets uitgaat van een fictie, zijn er twee voorwaarden gesteld die daadwerkelijk moeten worden
vervuld om de vrijwaring van de eindheffing te kunnen continueren. Deze voorwaarden dienen om manipulaties na
de uitvoering van de toets te voorkómen. Het gaat om het ongewijzigd laten van de pensioendatum die bij de
70%-toets is gehanteerd en om het beperken van de variatie in de uitkeringen. Zonder de laatste voorwaarde
zou het mogelijk zijn om vlak vóór de dag die 24 maanden voorafgaat aan de AOW-datum dan wel de eerdere
pensioendatum een grote uitkering te doen en in de jaren daarvoor te volstaan met een symbolische uitkering
van EUR 1. In dat geval zou immers aan alle (overige) voorwaarden zijn voldaan, terwijl de regeling zich
feitelijk nog steeds zou lenen voor het overbruggen van de periode tot aan de AOW-datum dan wel de
eerdere pensioendatum.
Stamrechten waarvan de ingangsdatum van de uitkeringen bij toekenning niet vaststaat
De toekenningsfase
In deze gevallen zal vaak op het moment van het aangaan van de stamrechtregeling niet kunnen worden
vastgesteld of sprake is van een RVU of niet. Bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een RVU
kan men van het volgende uitgaan: een stamrechtregeling is geen RVU zolang deze regeling volgens één van
beide toetsingen als onder 3.1 genoemd (de 55-jaar-toetsing en de 70%-toetsing) geen RVU is indien de
uitkeringen (fictief) zouden ingaan op de dag van de beoordeling. Een (ex-)werkgever kan dus altijd
zonder eindheffing terzake van een RVU een koopsomstorting doen als op de dag van storting bij de
stamrechtuitvoerder de regeling volgens de toetsen en rekengrondslagen van onderdeel 3.1 geen RVU
zou zijn indien het stamrecht op diezelfde dag zou ingaan.
Door het verstrijken van de tijd (en daarmee het uitstellen van de ingangsdatum) kan er wel een moment
komen waarop het stamrecht aan geen van beide toetsingen meer kan voldoen. Dit kan een gevolg zijn van de
oprenting van het recht en van de verkorting van de mogelijke looptijd door de periode van uitstel.
De regeling kan op dat moment een RVU worden doordat de (ex-)werknemer de bestemming van het stamrecht
heeft gewijzigd in een oudedagsvoorziening en wel door de ingangsdatum daarvan uit te (blijven) stellen.
De uitkeringsfase
De stamrechtuitvoerder zal op het daadwerkelijke moment van ingang van het stamrecht (nog eens) moeten
toetsen of de regeling een RVU is geworden. Op dat moment kunnen derhalve weer de beide toetsingen van
onderdeel 3.1 worden uitgevoerd.
Indien een regeling een nabestaandenvoorziening bevat, wordt deze voorziening een RVU op het moment dat
de uitkering ingaat.
Heffing over de uitkeringen
Indien de regeling ook op de ingangsdatum voldoet aan ten minste één van de beide toetsen is de regeling geen RVU.
Indien de regeling aan geen van beide toetsen voldoet, zal de Belastingdienst de regeling in beginsel wel als een
RVU aanmerken en dient artikel 32aa te worden toegepast. De uitvoerder is dan de eindheffing verschuldigd over de
uitkeringen. Ingevolge artikel 32aa, derde lid, van de Wet LB, behoeft de uitvoerder geen eindheffing te betalen
over het van de (ex-)werkgever ontvangen bedrag. Pas vanaf het moment dat het laatstgenoemde bedrag door de
uitkeringen wordt overschreden wordt de uitvoerder de eindheffing verschuldigd (saldoregeling).
Artikel 106 URLB bewerkstelligt vervolgens dat dit alleen maar geldt indien de (ex-)werkgever zelf
eindheffing verschuldigd was over dat bedrag omdat op dat moment reeds sprake was van een RVU.
Het kan voorkomen dat het stamrecht ten tijde van de toekenning (en de storting door de werkgever) nog
geen RVU was (omdat werd voldaan aan de in 3.2.1. bedoelde 55-jaar-toets of 70%-toets). In dat geval zou
de uitvoerder de eindheffing verschuldigd zijn over de gehele uitkering, dat wil zeggen zonder dat hij
rekening mag houden met het van de werkgever ontvangen bedrag. Ik acht dit een ongewenste situatie.
Ik ben dan ook voornemens om de in artikel 106 URLB opgenomen bepaling zodanig aan te passen dat de
uitvoerder bij het doen van uitkeringen aan de (ex-)werknemer gevrijwaard wordt van eindheffing over
het volledige bedrag daarvan voorzover aantoonbaar reeds eerder eindheffing heeft plaatsgevonden terzake
van de storting van de koopsom bij de uitvoerder dan wel voorzover de eindheffing aantoonbaar op grond van
een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 32aa, zevende lid, van de Wet LB, achterwege is
gebleven. De uitvoerder kan desgewenst bij de storting van de (ex-)werkgever bewijs verlangen
van betaling van de eindheffing over de storting, dan wel (indien op dat moment geen sprake is van een RVU)
de (ex-)werkgever vragen om een kopie van de hiervoor genoemde beschikking. In verband met de geheimhoudingsplicht
kunnen inspecteurs geen verklaringen ter zake van de heffing over de storting door de (ex-)werkgever of ter zake
van het afgeven van de genoemde beschikking rechtstreeks aan de uitvoerder verstrekken. Indien de (ex-)werkgever
geen bewijs van betaling levert en ook geen kopie van de beschikking van de Belastingdienst overlegt, kan de
uitvoerder uiteraard op een andere wijze in de contractuele sfeer voorkómen dat hij op dit punt schade lijdt.
Terzijde zij (wellicht ten overvloede) opgemerkt dat indien de stamrechtuitvoerder de eindheffing verhaalt op
de (ex-)werknemer de verhaalde bedragen in mindering moeten komen op de netto-uitkeringen. Er is immers ten aanzien
van eindheffingen in de sfeer van de loonbelasting geen sprake van fiscaal aftrekbare kosten of lasten en evenmin
van negatief loon. Er is ook geen sprake van normale door de stamrechtuitvoerder aan de (ex-)werknemer in rekening
te brengen kosten van verzekering die de hoogte van de stamrechtuitkering drukken.
Eenmalige ontslaguitkeringen
Voor (rechten op) eenmalige ontslaguitkeringen gelden in beginsel dezelfde uitgangspunten als voor stamrechten.
Onder eenmalige uitkeringen worden tevens begrepen sommen die in termijnen worden afgelost.
Een (recht op een) eenmalige ontslaguitkering kan voor wat betreft de vraag of dit een RVU is, worden beoordeeld
met behulp van de hiervoor in onderdeel 3.1 beschreven 55-jaar-toets en 70%-toets. Daarbij wordt de fictie gehanteerd
dat de eenmalige uitkering op de uitkeringsdatum wordt aangewend voor een direct ingaand stamrecht.
Indien met de (bruto) ontslaguitkering een periodieke uitkering voor de (ex-) werknemer zou kunnen worden
aangekocht die bij een looptijd tot aan de 55-ste verjaardag per jaar niet zou uitkomen boven 100% van het
laatstgenoten reguliere jaarloon is geen sprake van een RVU (55-jaar-toets). Evenmin is sprake van een RVU indien
de fictieve direct ingaande stamrechtuitkering zou voldoen aan de 70%-toets van onderdeel 3.1, rekening houdend met
alle daarbij beschreven voorwaarden en rekengrondslagen. Indien de uitkeringsdatum van de eenmalige ontslaguitkering
nog niet vaststaat, is onderdeel 3.2. van overeenkomstige toepassing.
Als de eenmalige uitkering later plaatsvindt dan op de dag die 24 maanden voorafgaat aan de AOW-datum dan wel de
eerdere pensioendatum zal de Belastingdienst in beginsel het standpunt innemen dat er sprake is van (een recht op)
een uitkering die plaatsvindt op grond van een RVU.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 26 mei 2005.
|