Minister Kamp verplicht pensioenfondsen en pensioenverzekeraars beter te communiceren

Minister Kamp van Sociale Zaken en Werkgelegenheid past de Pensioenwet aan, waardoor de communicatieverplichtingen voor pensioenuitvoerders om hun deelnemers goed te informeren over de aanvullende pensioenen, worden aangescherpt. In een tijd waarin een deel van de pensioenen door de onzekere economische situatie gekort moet worden, is het noodzakelijk dat pensioendeelnemers in één oogopslag kunnen zien welke uitkering men kan verwachten, wat de risico’s zijn en wat iemand zelf kan doen als dat nodig is. Dit schrijft minister Kamp in een brief aan de Tweede Kamer waarin voorstellen staan om de pensioencommunicatie verder te verbeteren. Het streven is de aanpassing van de Pensioenwet begin 2013 naar de Tweede Kamer te sturen.
Rijksoverheid.nl – Nieuwsberichten over het onderwerp Pensioen

Lijfrente (Nederland)

Burgerlijk Wetboek Boek 7, Bijzondere overeenkomsten behandelt de lijfrente in titel 7.18. De definitie staat in artikel 990:

Lijfrente is het van het in leven zijn van één of meer personen afhankelijke recht op een periodieke uitkering in geld.

Lijfrente wordt meestal gevestigd ingevolge een overeenkomst van levensverzekering, maar kan onder andere ook ontstaan door schenking of door testamentaire beschikking.

Op een levensverzekering waarbij een lijfrente wordt bedongen zijn ook de bepalingen van titel 7.17 BW van toepassing.

De Wet inkomstenbelasting 2001 definieert lijfrente deels strikter, deels ruimer.[1] Het kan een lijfrente volgens het BW zijn (de verzekeringsvariant), maar ook een bancaire lijfrente, zonder verzekeringselement. Beide zijn bedoeld als (aanvullende) pensioenvoorziening. Er wordt een kapitaal opgebouwd (gespaard of belegd) of in één keer gestort, dat wordt aangewend voor een periodieke uitkering. Bij beide geldt dat de overeenkomst alleen onder de definitie valt als erin staat dat de aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen

In bepaalde gevallen valt zo’n lijfrente in box 1. De uitkeringen zijn dan belast, maar onder aanvullende voorwaarden zijn de betaalde premies fiscaal aftrekbaar.

Een lijfrenteschenking is een vastgelegde periodieke schenking die uiterlijk ophoudt bij overlijden van de schenker. De schenkingen zijn onder bepaalde voorwaarden voor de schenker aftrekbaar.

De afname van een product zonder advies heet execution only.

In Nederland is het sinds 1 januari 2013 verboden dat een financieel adviseur provisie ontvangt van de aanbieder als een klant via hem of haar een complex financieel product afneemt. De klant kan zich laten adviseren en daarvoor provisie betalen, of een lijfrenteverzekering afsluiten zonder advies (execution only). Los van het al of niet zich tegen betaling laten adviseren kunnen er afhandelingskosten verschuldigd zijn bij het aangaan van een lijfrenteovereenkomst.[2]

Inhoud

[bewerken] Beschrijving lijfrente

In feite bestaat een lijfrente uit twee verzekeringen, één voor de opbouwfase – de fase waarin het kapitaal wordt vergaard. En één voor de afbouwfase – de tijd waarin iemand uitkeringen ontvangt. Een lijfrenteverzekering is een levensverzekering waarvoor periodiek of eenmalig een premie betaald wordt aan een verzekeringsmaatschappij. Als de premie in één keer voldaan wordt dan heet het een koopsom, alleen de naam is anders want het blijft gewoon een lijfrenteverzekering. Voor een koopsom (storting in één keer) wordt nogal eens gekozen door ondernemers die in één keer hun oudedagsreserve of stakingswinst omzetten in een lijfrente. Met het ingelegde geld (de premie) wordt gespaard of belegd door de verzekeringsmaatschappij, op die manier bouwt de inlegger kapitaal op. Lijfrenteverzekeringen worden altijd voor een bepaalde periode afgesloten, als de verzekering afloopt kan met het opgebouwde kapitaal een lijfrente gekocht worden. Dat hoeft niet bij dezelfde verzekeraar als waar het kapitaal is opgebouwd. Iemand kan shoppen en kiezen voor de verzekeraar die de beste voorwaarden biedt. In de afbouwfase (de fase van uitkering) ontvangt de eigenaar van de lijfrente periodiek een bedrag, dat kan per maand of per jaar zijn. De lijfrente kan tijdelijk of levenslang uitgekeerd worden, daarvoor kiest iemand zelf.

[bewerken] Fiscale aspecten

Sinds 2009 valt een lijfrenteovereenkomst óf in box 1, óf in box 3, niet meer deels in de ene, deels in de andere (dat laatste had praktische complicaties, de zogenaamde splitsingsproblematiek). Als de lijfrenteovereenkomst in box 1 valt hoeft over het opgebouwde kapitaal dus geen vermogensrendementsheffing betaald te worden. De uitkeringen zijn dan volledig belast als periodieke uitkeringen en verstrekkingen, zelfs als de premies niet of slechts gedeeltelijk fiscaal aftrekbaar zijn in box 1 als uitgave voor inkomensvoorzieningen, als gevolg van een ontoereikende aftrekruimte. Een beperkte uitzondering hierop is dat de bedragen van niet-aftrekbare premies tot € 2269 per premiejaar (voor alle lijfrenteovereenkomsten bij elkaar) van de uitkeringen aftrekbaar zijn (beperkte saldomethode).

Een op zich normale overeenkomst kan dan ook fiscaal zeer nadelig zijn (zoals de regering toegeeft: de regels kunnen “ruw uitwerken”). Met name zal het meestal nadelig zijn om een box-1-overeenkomst te sluiten waarvan de premies ver uitstijgen boven de aftrekruimte. De regering vindt dit acceptabel, en vindt het de verantwoordelijkheid van de belastingplichtige dat deze zo’n overeenkomst niet afsluit. Indien gewenst kan in aanvulling op of in plaats van een box-1-overeenkomst een box-3-overeenkomst worden gesloten.

De criteria die bepalen dat een lijfrenteverzekering in box 1 valt zijn als volgt. In de eerste plaats wordt de lijfrenteverzekering afgesloten bij een door de Belastingdienst erkende verzekeraar. Alle grotere verzekeraars zijn erkend. Verder gaat het om één van de volgende soorten lijfrenten:

  • “Lijfrenten ter compensatie van een pensioentekort”, dat wil zeggen lijfrenten van de verderop genoemde drie soorten
  • Lijfrenten voor meerderjarige invalide kinderen en –kleinkinderen
  • Periodieke uitkeringen bij invaliditeit, ziekte of ongeval van de belastingplichtige

Alleen bij de eerste van deze drie soorten is de aftrekbaarheid van de premie beperkt tot de zogenaamde aftrekruimte, zie onder. Al naar gelang de wensen, en met name al naar gelang de aftrekruimte, kan men een lijfrenteverzekering kiezen die aan deze criteria voldoet, en/of één die juist niet aan de fiscale definitie (zie boven) of aan de hier genoemde criteria voldoet. Omdat er aan allerlei eisen voldaan moet worden om in box 1 te vallen zijn er diverse mogelijkheden om te zorgen dat de lijfrente in box 3 valt.

Anders dan een lijfrenteverzekering zijn een lijfrentespaarrekening en een lijfrentebeleggingsrecht speciale constructies om in box 1 te vallen. Als men in box 3 wil vallen kan men eenvoudig een andere vorm van sparen of beleggen kiezen. Wel bestaat net als bij een lijfrenteverzekering ook bij een lijfrentespaarrekening en een lijfrentebeleggingsrecht het gevaar dat men door een verkeerde berekening van de aftrekruimte een storting zou kunnen doen die niet aftrekbaar is, terwijl de uiteindelijke uitkeringen wel belast zijn.

Aanhangig na de tweede nota van wijziging van het Belastingplan 2013 is het vervallen van IB art. 1.7b. Dit betekent dat met de premie voor een lijfrenteverzekering niet meer worden gelijkgesteld de op de verzekeringnemer drukkende uitgaven ter beloning van de assurantietussenpersoon ter zake van het afsluiten dan wel het verlengen van de desbetreffende verzekering of het incasseren van premies. Deze wijziging houdt verband met het provisieverbod, waardoor de klant die advies of andere dienstverlening wenst van een assurantietussenpersoon deze daarvoor rechtstreeks moet betalen. Deze kosten zijn niet aftrekbaar.

[bewerken] Soorten lijfrentes

Zie ook bancaire lijfrente.

De volgende drie soorten lijfrenteverzekeringen die aan de fiscale definitie voldoen (zie boven) gelden als lijfrenten ter compensatie van een pensioentekort en vallen daardoor in box 1:

  • Oudedagslijfrente: lijfrente waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, ingaan uiterlijk in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar (aanhangig, m.i.v. 2013: de AOW-leeftijd plus 5 jaar) bereikt en uitsluitend eindigen bij zijn overlijden
  • Tijdelijke oudedagslijfrente: lijfrente waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar (aanhangig, m.i.v. 2014: de AOW-leeftijd) bereikt en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar (aanhangig, m.i.v. 2014: de AOW-leeftijd plus 5 jaar) bereikt, voor zover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 20.953 per jaar (2012). Deze vorm biedt dus niet de mogelijkheid het AOW-gat te overbruggen.
  • Nabestaandenlijfrente: lijfrente waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, van zijn partner of zijn gewezen partner, waarbij indien de termijnen toekomen aan een van hun bloed- of aanverwanten, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, deze uitsluitend eindigen hetzij bij het overlijden van de gerechtigde hetzij uiterlijk op het tijdstip waarop deze de leeftijd van 30 jaar bereikt

Aan een oudedagslijfrente wordt vaak een nabestaandenlijfrente gekoppeld, die ‘gekoppelde’ lijfrente bedraagt meestal 70% van de oorspronkelijke lijfrente. Met een tijdelijke oudedagslijfrente kan het inkomen tijdelijk aangevuld worden, bijvoorbeeld omdat er voor een bepaalde periode nog hypotheek betaald moet worden.

Een nabestaandenlijfrente keert na het overlijden van de verzekerde meestal uit aan de partner of een kind. In het algemeen zijn zulke lijfrentes gekoppeld aan een oudedagslijfrente. Voor de partner kan een tijdelijke of levenslange lijfrente worden afgesproken. Voor kinderen lopen de uitkeringen meestal tot hun 30e jaar. In plaats van of naast een nabestaandenlijfrente kan ook een overlijdensrisicoverzekering afgesloten worden. Nabestaandenlijfrenten worden nogal eens afgesloten om ervoor te zorgen dat een nabestaande een hypotheek kan aflossen. Bij veel hypotheken is een overlijdensrisicoverzekering verplicht.

[bewerken] Gerichte en zuivere lijfrenteverzekering

Een lijfrente kan worden afgesloten op basis van garantie of risico. Bij een lijfrente op basis van garantie staat vooraf vast hoeveel kapitaal iemand opbouwt, hoe de beleggingen ook uitpakken. De verzekeraar staat garant voor het eindkapitaal. Bij een verzekering op basis van risico is niet op voorhand te zeggen hoeveel kapitaal er uiteindelijk wordt opgebouwd, dat kan mee- of tegenvallen. De premie voor een lijfrente op basis van garantie is hoger dan een beleggingslijfrente. Een combinatie van garantie en risico is ook mogelijk. Een lijfrente op basis van garantie heet een zuivere lijfrente, een lijfrente op basis van risico heet een gerichte lijfrenteverzekering. Na afloop van de verzekering wordt aan de hand van het opgebouwde eindkapitaal de uitkering bepaald. Een gerichte lijfrenteverzekering wordt gebruikt als uitgestelde lijfrenteverzekering, de zuivere lijfrenteverzekering als ingegane lijfrenteverzekering.

[bewerken] Uitkering

De uitkering vindt meestal achteraf per maand, kwartaal, half jaar of jaar plaats. De uitkering stopt in principe bij het overlijden van de ontvanger, het resterende bedrag vervalt dan aan de verzekeringsmaatschappij. Ook als een verzekerde overlijdt tijdens de opbouwfase – dus voordat de uitkeringen zijn ingegaan – dan kan het tot dan toe opgebouwde kapitaal helemaal aan de verzekeraar toevallen. Dat is afhankelijk van de voorwaarden bij de polis. Of er bij overlijden – tijdens de op- of afbouwfase – nog een slotuitkering plaatsvindt hangt van de voorwaarden af.

De uitkeringsspecificatie is vergelijkbaar met een loonstrook, maar dan eenvoudiger. Het raamwerk van de bruto-netto berekening is als volgt:

Vaak staan ook de cumulatieve bedragen vanaf het begin van het kalenderjaar vermeld.

Op de uitkering wordt de Zvw-bijdrage ingehouden ondanks het feit dat lijfrentepremie niet aftrekbaar is voor de bepaling van de Zvw-bijdrage.

[bewerken] Aftrekruimte

De in totaal in een jaar betaalde premies voor box-1-lijfrenten “ter compensatie van een pensioentekort”, lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten is aftrekbaar tot het bedrag van de aftrekruimte. De aftrekruimte is de som van de zogenoemde jaarruimte, de reserveringsruimte, en de bedragen van omzetting van fiscale oudedagsreserve (FOR) en stakingswinst in lijfrente. De eerste twee zijn afhankelijk van het daadwerkelijke pensioentekort, dat wil zeggen dat iemand met zijn pensioenopbouw minder dan 70% van zijn gemiddeld verdiende salaris haalt.

[bewerken] Jaarruimte

De jaarruimte dient ter compensatie van het tekort aan pensioenopbouw in het belastingjaar zelf. Voor de bepaling van de jaarruimte is een formule opgesteld:

( 0,17 x premiegrondslag ) – ( 7,5 x A ) – F – S

Waarbij:

  • Premiegrondslag: winst uit onderneming, salaris e.d., tot maximaal € 158.741,– (2010; per 1 januari 2011 € 159.741,- ), minus de AOW franchise à € 11.561(2010; per januari 2011 € 11.631).
  • A: Aangroei van pensioenaanspraken. Van deze “Factor A” verstrekt het pensioenfonds jaarlijks een opgave op het Uniform Pensioenoverzicht.
  • F: Netto toename FOR.
  • S: vrijwillige bijdrage op een pensioenregeling, waarvoor bedrijfsspaargelden zijn gedeblokkeerd.

De Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd verlaagt per 1 januari 2014 de maximumaftrek van 17% van de premiegrondslag naar 15,5% van de premiegrondslag, en de 7,5 in 7,2 (dit percentage en deze factor staan in artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001).

Volgens het Regeerakkoord 2012 zal met het inkomen boven € 100.000 niet langer fiscaal gunstig lijfrente (of pensioen) kunnen worden opgebouwd.

[bewerken] AOW franchise voor berekening premiegrondslag

1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012
€ 9.896 € 9.896 € 9.896 € 10.203 € 10.571 € 10.571 € 10.719 € 10.816 € 10.990 € 11.155 € 11.345 € 11.561 € 11.631 € 11.829

[bewerken] Berekening factor A voor pensioenen met beschikbare premieregeling

De factor A bedraagt: betaalde pensioenpremie x de rekenfactor.

De rekenfactor is afhankelijk van de leeftijd op 1 januari van het desbetreffende jaar.

Leeftijdscategorie rekenfactor voor 2006 rekenfactor vanaf 2006
15 jaar of ouder, maar jonger dan 20 jaar 0,30 0,36
20 jaar of ouder, maar jonger dan 25 jaar 0,24 0,30
25 jaar of ouder, maar jonger dan 30 jaar 0,20 0,25
30 jaar of ouder, maar jonger dan 35 jaar 0,17 0,21
35 jaar of ouder, maar jonger dan 40 jaar 0,14 0,17
40 jaar of ouder, maar jonger dan 45 jaar 0,12 0,14
45 jaar of ouder, maar jonger dan 50 jaar 0,10 0,12
50 jaar of ouder, maar jonger dan 55 jaar 0,08 0,10
55 jaar of ouder, maar jonger dan 60 jaar 0,07 0,08
60 jaar of ouder, maar jonger dan 65 jaar 0,05 0,07

[bewerken] Reserveringsruimte

Met de reserveringsruimte kan de onbenutte jaarruimte van de afgelopen zeven jaar worden ingehaald. De maximaal te gebruiken reserveringsruimte: € 6.831,- (2010; vanaf 1 januari 2011 € 6.872,- ; vanaf 1 januari 2012 € 6.989,-) per jaar voor personen jonger dan 55 jaar, en € 13.490,- (2010; vanaf 1 januari 2011 € 13.571,- ; vanaf 1 januari 2012 € 13.802,-) voor personen van 55 jaar en ouder, of, indien lager: 17% van de premiegrondslag

De lijfrente-inleg die voor 1 april is betaald, kon t/m 1 april 2011 nog in het voorafgaande jaar worden afgetrokken. Hierna (in 2012) kan dit niet meer.

[bewerken] Overtreding van de lijfrentevoorwaarden

Als er ten aanzien van een lijfrente in box 1 een verboden handeling wordt verricht, wordt alle inleg plus het behaalde rendement in één keer bij het inkomen opgeteld. Verder is er een revisierente van 20% van de economische waarde verschuldigd.[4]

Verboden handelingen zijn

  • afkoop
  • vervreemding
  • emigratie
  • tot zekerheid overdragen
  • het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor lijfrenteaftrek

[bewerken] Verbetering aanspraak op pensioen

Een “verbetering aanspraak op pensioen” is een met terugwerkende kracht doorgevoerde verbetering van het pensioen. In dergelijke gevallen kan het voorkomen dat de jaarruimte ook met terugwerkende kracht aangepast moet worden. De onterecht verleende jaarruimte kan worden teruggevorderd. Dit geldt niet wanneer er wordt deelgenomen aan een collectieve pensioenregeling.

[bewerken] Geschiedenis en overgangsrecht

Oude regels zijn nog lange tijd van belang door de lange duur van veel lijfrenteverzekeringen en door het overgangsrecht.

Belangrijke wijzigingen waren:

  • Per 1 januari 1992 de zogenaamde Brede Herwaardering.
  • Per 1 januari 2001 de Wet inkomstenbelasting 2001.
  • Per 1 januari 2003 de afschaffing van de basisaftrek.
  • Per 1 januari 2006 het niet meer fiscaal toegestaan zijn van de overbruggingslijfrente (Wet VPL).
  • Per 1 januari 2008 invoering van banksparen, waaronder banksparen voor de oude dag.
  • Per 1 januari 2009 de afschaffing van de mogelijkheid dat een lijfrente deels in box 1 en deels in box 3 valt; vanaf deze datum kan een op zich normale overeenkomst fiscaal zeer nadelig zijn.

[bewerken] Verzekeringen van vóór 1992

Vóór 1992 was de opbouwfase van de lijfrenteverzekering meestal in de vorm van een “kapitaalverzekering met lijfrenteclausule”. De maximale premie-aftrek was in 1991 f 17.459 (€ 7923); deze was onafhankelijk van het hebben van een pensioentekort. Er gold een eerbiedigende werking voor premie-aftrek in de jaren 1992 tot en met 2000 op basis van een verzekering afgesloten vóór 16 oktober 1990. Het aftrekbare bedrag was ook nog geïndexeerd.

Zulke oude kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule kunnen nog steeds lopen, en de clausule is dan ook nog steeds van belang. Deze bindt de verzekeringnemer niet zozeer tegenover de verzekeraar maar vooral tegenover de fiscus, en houdt in dat het kapitaal aan een lijfrente besteed moet worden, met ruimere mogelijkheden dan tegenwoordig. Bovendien zijn bij overtreding de consequenties milder dan volgens de huidige regeling: er geldt slechts dat de uitkering of waarde in één jaar in zijn geheel in box 1 is belast, in plaats van gespreid over meer jaren.

[bewerken] Verzekeringen gesloten vanaf 1992

Op 1 januari 1992 is de Brede Herwaardering[5] ingegaan. Sindsdien is een nieuwe kapitaalverzekering met lijfrenteclausule niet meer aan de orde, en gelden in grote lijnen de huidige strengere eisen aan het type lijfrente, behalve dat tot 1 januari 2006 nog wel de overbruggingslijfrente fiscaal was toegestaan. (De overbruggingslijfrente was fiscaal een tijdelijke lijfrente tot aan de 65-jarige leeftijd en/of de datum dat een pensioen ingaat, bijvoorbeeld ter overbrugging van een periode na geheel of gedeeltelijk stoppen met werken.) Naast de “zuivere lijfrente” is er nu de “gerichte lijfrente”. Bij afkoop of omzetting in een niet toegestaan type lijfrente geldt de huidige strenge regeling.

Voor de aftrekbaarheid worden van 1992 tot en met 2000 “tranches” onderscheiden, de eerste tranche betreft de basisaftrek die onafhankelijk is van een pensioentekort. Deze bedraagt in 1992 f 5150 (€ 2337).[6] Met de invoering van het Wet inkomstenbelasting 2001 per 1 januari 2001 is de naam “eerste tranche” vervangen door basisaftrek, en het bedrag wordt verlaagd tot ruim € 1000, zonder overgangsregeling. Aftrek die afhankelijk is van een pensioentekort heet nu jaarruimte en reserveringsruimte. De basisaftrek is per 1 januari 2003 afgeschaft.

Met de invoering van het nieuwe belastingstelsel in 2001 kunnen verschillende situaties zijn ontstaan.

  1. Er wordt meer premie betaald dan volgens de jaarruimte is toegestaan, het niet-aftrekbare gedeelte is niet groter dan € 2.269,– en de verzekering is ingegaan vóór 14 september 1999 en sindsdien ongewijzigd. De hele uitkering valt onder de oude regels.
  2. Als bij 1, maar het niet-aftrekbare gedeelte is groter dan € 2.269,–. Dan wordt de verzekering gesplitst in vier delen:
    1. Een deel waarop voor de premies en uitkeringen de nieuwe regels gelden;
    2. Een deel waarop voor de uitkeringen de oude regels gelden. Dit is het deel waarvoor de premies zijn betaald voor 1 januari 2001;
    3. Een deel waarvoor een niet-aftrekbare premie is betaald, na 14 september 1999, van max. € 2.269,–
    4. Een deel met het niet-aftrekbare gedeelte voor boven € 2.269,–

Met ingang van 1 januari 2006 is de premie voor een overbruggingslijfrente niet meer aftrekbaar. De reeds opgebouwde rechten blijven onaangetast.

Een lijfrenteovereenkomst van vóór 2009 die deels in box 1 en deels in box 3 viel valt nu geheel in box 1, met dien verstande dat t.a.v. vóór 2009 betaalde niet-aftrekbare premies de saldomethode zonder maximum wordt toegepast.[7] Ook wordt splitsing in een box-1- en een box-3-polis fiscaal mogelijk gemaakt, en is er overleg met de verzekeringsmaatschappijen om hieraan mee te werken.

[bewerken] Netto rendement

Het netto rendement van een verzekering wordt uiteraard sterk bepaald door het voordoen van de omstandigheid waarin wordt uitbetaald. In het geval van een oudedagslijfrente hangt dit rendement dan ook sterk af van hoe oud men wordt.

Van belang zijn verder:

  • Ten tijde van de premiebetaling:
    • het marginale tarief van box 1
    • na invoering van de IAP: de vraag of de lijfrentepremie aftrekbaar is voor de IAP
  • Ten tijde van de uitkering: het marginale tarief van box 1, IAB en, na invoering, de IAP, en andere inkomensafhankelijke premies, eigen bijdragen en toeslagen.

De invoering van de IAP en de eventuele fiscalisering van de AOW kunnen bijvoorbeeld het rendement van de oudedagslijfrente sterk verminderen. Men heeft dan bijvoorbeeld bij premiebetaling een aftrek gehad van 42%, maar moet over de uitkeringen 54% betalen. Op zich is dit een verlies van 12% / 0,58 = 21%, dus als er bijvoorbeeld 15 jaar zit tussen premiebetaling en gemiddelde moment van uitkering vermindert het jaarlijkse rendement met 1,4%.

Een en ander zou men dan moeten vergelijken met sparen en interen. Men heeft dan een hoger vermogen (excl. lijfrenteaanspraak) dat bij het interen afneemt. Door het forfaitaire rendement werkt dit door naar het inkomen (wat bij veel inkomensafhankelijke regelingen wordt meegeteld, maar bij de IAB niet). Ook zijn er vermogenstoetsen / vermogensinkomensbijtellingen. Na verloop van tijd, op hogere leeftijd, hebben inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen een nadeliger effect bij een lijfrente dan bij interen, omdat in het laatste geval het vermogen dan inmiddels lager is.

De vergelijking is extra lastig doordat men ten tijde van de premiebetaling moet inschatten welke regelingen ten tijde van de uitbetaling zullen gelden, terwijl die flink aan verandering onderhevig zijn, en er hierbij nooit overgangsrecht is.

[bewerken] Zie ook

[bewerken] Voetnoten

  1. De Wet inkomstenbelasting 2001 definieert lijfrente in artikel 1.7, eerste lid:
    In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder lijfrente:
    a. een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering (artikel 3.117) op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan op grond van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, of ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, derde lid, Invorderingswet 1990, alsmede de met een zodanige aanspraak verband houdende aanspraak op winstuitkeringen;
    b. een aanspraak op het tegoed van een lijfrentespaarrekening of op de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht (artikel 3.126a), welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan op grond van artikel 3.126a, tweede lid, onderdeel c, onder 2°, of ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, derde lid, Invorderingswet 1990, alsmede de met een zodanige aanspraak verband houdende aanspraak op winstuitkeringen.
  2. Zie bijvoorbeeld [1].
  3. Wet op de loonbelasting 1964, art. 34 bepaalt dat ter vergemakkelijking van de heffing van de inkomstenbelasting bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld ingevolge welke de loonbelasting mede wordt geheven van personen die termijnen van lijfrente genieten. Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, art. 11 bepaalt dat de loonbelasting mede wordt mede geheven van personen die termijnen van lijfrenten genieten.
  4. De revisierente is geregeld in artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.[2]
  5. Wet van 12 december 1991 tot wijziging van het fiscale regime voor onderhoudsvoorzieningen en spaarvormen alsmede van het fiscale regime voor verzekeraars en directiepensioenlichamen, Stb. 697. Deze wet is online te vinden op http://www.statengeneraaldigitaal.nl als Tweede gewijzigd voorstel van wet, Kamerstuk Eerste Kamer 1990-1991 kamerstuknummer 21198 ondernummer 259. (Publicaties van het Staatsblad van vóór 1995 staan nog niet online. Zie ook [3].
  6. In het oorspronkelijke voorstel was er noch een beperking van het aftrekbare bedrag, noch een eis van een pensioentekort: de strengere eisen aan het type lijfrente werden geacht te zorgen voor een “natuurlijk maximum”. Zie de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel, Kamerstuk Tweede Kamer 1988-1989 kamerstuknummer 21198 ondernummer 3.
  7. Artikel 10a.6 IB.



This article uses material from the Wikipedia article Lijfrente (Nederland), which is released under the Creative Commons Attribution-Share-Alike License 3.0.

Brief over verhoging pensioenpremie

3-2-2012

Alle werkgevers die zijn aangesloten bij Stichting Pensioenfonds Wonen ontvangen een brief over de premies.

In de brief leest u dat de premies in 2012 zijn verhoogd. Deze maatregel is nodig omdat Stichting Pensioenfonds Wonen last heeft van de economische crisis. Net als veel andere pensioenfondsen in Nederland.

Hier kunt u de brief aan de werkgevers direct lezen:

brief Premieaanpassing 2012.

Kabinet en sociale partners eens over sociale agenda voor arbeidsmarkt van de 21e eeuw

Kabinet en sociale partners zijn het eens geworden over een mix van maatregelen om economisch herstel op korte termijn te stimuleren en de arbeidsmarkt aan te passen aan de wensen en eisen van de 21e eeuw. Daarbij wordt gekozen voor een actievere aanpak om werkloosheid te voorkomen en mensen van werk naar werk te helpen, het liefst vóór ze in de WW komen. Want daarover zijn de sociale partners en het kabinet het eens: het doel is het verblijf in de WW zo kort mogelijk te laten duren. Daar profiteren werknemers, werkgevers en de overheidsfinanciën van.
Rijksoverheid.nl – Nieuwsberichten over het onderwerp Pensioen

Senaat steunt minister Kamp: Nederlanders later met AOW

De pensioengerechtigde leeftijd gaat geleidelijk omhoog. Volgend jaar krijgen Nederlanders een maand later recht op AOW. Daarna stijgt de AOW-leeftijd stapsgewijs verder naar 66 jaar in 2019 en 67 jaar in 2023. Na de Tweede Kamer is ook de Eerste Kamer akkoord gegaan met dit wetsvoorstel van minister Henk Kamp van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Rijksoverheid.nl – Nieuwsberichten over het onderwerp Pensioen

5 vragen over de soa LGV

Als je het over seksueel overdraagbare aandoeningen hebt, dan ken je vast chlamydia wel. LGV is een soa die veroorzaakt wordt door een variant van de chlamydiabacterie en gaat gepaard met heftige symptomen. Zo’n tien jaar geleden begon LGV een opmars vanuit de tropen naar Nederland. Antwoord op vijf belangrijke vragen over deze opkomende en gevaarlijke soa.
PlusOnline RSS Feed – – Pensioen