Gepensioneerden ontvangen jaaropgave 2011

2-2-2012

Voor 7 februari 2012 ontvangen alle gepensioneerden van Stichting Pensioenfonds Wonen hun jaaropgave over 2011. Op de jaaropgave staat de bruto uitkering van pensioen over 2011. Op het pensioen zijn belasting en premies voor sociale verzekeringen ingehouden. Die bedragen staan ook op de jaaropgave.

Waarvoor heb ik de jaaropgave nodig?

U krijgt de jaaropgave maar één keer van het pensioenfonds. Bewaar deze goed. De jaaropgave gebruikt u voor uw belastingaangifte. Soms hebt u de jaaropgave voor andere zaken nodig. Bijvoorbeeld voor het aanvragen van huurtoeslag of zorgtoeslag.

Ik heb geen jaaropgave ontvangen. Wat moet ik doen?

Ontvangt u pensioen van Stichting Pensioenfonds Wonen? Dan moet u een jaaropgave krijgen. Hebt u de jaaropgave op 7 februari 2012 niet gehad? Neem dan contact met ons op.

Witteveenkader

Prof. Witteveen nog in zijn rol als Minister van Financiën, 1964

Het Witteveenkader is in Nederland de begrenzing van de fiscale faciliëring van de pensioenopbouw. Het is ingevoerd met de Wet van 29 april 1999 houdende aanpassing van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Coördinatiewet Sociale Verzekering en in samenhang daarmee enige andere wetten naar aanleiding van de voorstellen van de werkgroep Fiscale behandeling pensioenen (Wet fiscale behandeling van pensioenen).[1] Het is genoemd naar professor Johan Witteveen, de voorzitter van de werkgroep die in 1995 de aanbevelingen heeft opgesteld op basis waarvan het wetsvoorstel is geformuleerd. [2] Het gaat voornamelijk om een aanvulling van de Wet op de loonbelasting 1964 waarbij de aftrekbaarheid van pensioenpremie wordt begrensd.

In het Witteveenkader zijn er 3 parameters:

  • de pensioenrichtleeftijd; deze is 65 jaar (vanaf 2014: 67 jaar)
  • de minimum-franchise
  • het jaarlijkse maximale opbouwpercentage: dit is 2% (vanaf 2014: 1,9%) voor eindloonregelingen en 2,25% (vanaf 2014: 2,15%) voor middelloonregelingen; volgens het Regeerakkoord 2012 worden de percentages die vanaf 2014 zouden gaan gelden verlaagd met 0,4 procentpunt, dus tot resp. 1,5% en 1,75%. Bovendien zal met het inkomen boven € 100.000 niet langer fiscaal gunstig pensioen (of lijfrente) kunnen worden opgebouwd.

De opbouw van de aanvullende oudedagsvoorziening wordt actief fiscaal begeleid. Het gaat daarbij om een geïntegreerde fiscale behandeling van de oudedagsvoorzieningen, waarbij de opbouw van deze voorzieningen in onderlinge samenhang aan één fiscaal maximum is verbonden.

Inhoud

[bewerken] Geschiedenis

In de Wet op de loonbelasting 1964 was weliswaar gedefinieerd wat onder pensioen moest worden verstaan, maar tijden veranderden en de arbeidsmobiliteit nam toe. Er werd steeds vaker van werkgever gewisseld en dat had consequenties voor het pensioen. Door de toenemende individualisering ontstond een groeiende behoefte aan flexibele arbeidsvoorwaarden, waardoor ook de pensioenregelingen moesten worden aangepast. Daarbij ontstond het gevaar van onduidelijkheid als gevolg van een verschillende interpretatie van maatschappelijke ontwikkelingen en opvattingen. De commissie heeft de grote mate van flexibiliteit in de pensioenregelingen beschreven, waarbij een deel van de arbeidsbeloning in – fiscaal toegestane – variaties kon worden gebruikt voor de opbouw van een oudedags- en nabestaandenpensioen.

[bewerken] 2011

Op 10 juni 2011 heeft minister Kamp met de sociale partners een overeenkomst gesloten, waarmee de voorbereiding is gedaan voor nieuwe wetgeving waarin de risico’s van de uitbetaling van de pensioenen – in strijd met het Witteveenkader – voornamelijk bij de werknemers zal worden ondergebracht.

Aanhangig is geweest in de Wetsvoorstel verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW een verlaging per 1 januari 2013 van de maximale opbouwpercentages van 2% naar 1,75% voor eindloonregelingen en van 2,25% naar 2% voor middelloonregelingen (deze percentages staan in artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964).

[bewerken] Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd

Naar aanleiding van het Begrotingsakkoord 2013 is aangenomen de Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met stapsgewijze verhoging en koppeling aan de stijging van de levensverwachting van de pensioenleeftijd (Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd).

Naast een stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd behelst deze wet wijzigingen in het Witteveenkader. De pensioenrichtleeftijd, nu 65 jaar, wordt in 2014 verhoogd naar 67 jaar. Vervolgens wordt deze pensioenrichtleeftijd op vergelijkbare wijze als de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Een verhoging van de pensioenrichtleeftijd vindt, anders dan bij de AOW-leeftijd, steeds plaats in stappen van een jaar, steeds 10 jaar voorafgaande aan het tijdstip waarvoor is geraamd dat de macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd weer met een jaar is gestegen.

Daarnaast worden de maximumopbouwpercentages voor middelloonregelingen en eindloonregelingen aangepast. Per 1 januari 2014 worden de maximale opbouwpercentages voor ouderdomspensioen verlaagd van 2% naar 1,9% voor eindloonregelingen en van 2,25% naar 2,15% voor middelloonregelingen. Het gaat daarbij om het opgebouwde pensioen plus een evenredig deel van de AOW-uitkering voor een gehuwde. Het toegestane opbouwpercentage bij het middelloonsysteem is hoger dan bij het eindloonsysteem omdat het gemiddeld tijdens de carrière genoten loon in het algemeen lager is dan het laatst genoten loon. Het gaat hier om de percentages op basis van aanvang van het pensioen op de pensioenrichtleeftijd.

Wijzigingen van de pensioenrichtleeftijd en het opbouwpercentage tijdens de opbouw van een pensioen gelden steeds voor de opbouw vanaf het moment van de wijziging. Het totaal van de opbouw op enig moment kan vereenvoudigd worden weergegeven door steeds de opbouw met betrekking tot een eerder gehanteerde pensioenrichtleeftijd actuarieel te herrekenen naar de nieuwe pensioenrichtleeftijd (de anderszins geldende regel dat indien en zodra het ouderdomspensioen 100% van het pensioengevend loon komt te bedragen het pensioen niet langer uitgesteld mag worden is hierbij niet van toepassing). Een pensioenuitvoerder kan besluiten tot collectieve actuarieel neutrale herrekening naar een hogere pensioenleeftijd, mits de betrokkene de pensioeningangsdatum individueel weer naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd terug kan zetten.[3]

Uiteindelijk wordt het pensioen dan herrekend naar de daadwerkelijke ingangsdatum van het pensioen (die eerder of later kan zijn). In geval van deeltijdpensioen wordt het resterende en nieuw opgebouwde pensioen herrekend naar de datum van het volledig met pensioen gaan, voor de berekening van de aanvulling vanaf dat moment.

Als bijvoorbeeld het pensioen aanvangt op 66-jarige leeftijd dan is effectief het daarop betrekking hebbende maximale opbouwpercentage voor middelloonregelingen in 2014 lager dan 2,15%.

Speciale aandacht verdient nog de fiscale behandeling van het beschikbarepremiesysteem.[bron?] Probleem bij dit systeem is namelijk dat het uiteindelijke pensioen dat kan worden aangekocht onbekend is. Meestal worden de ingelegde premies belegd in (deels) op aandelen gebaseerde fondsen, waardoor de opbrengsten onzeker zijn. Gevolg kan zijn dat er een pensioen kan worden aangekocht dat boven het maatschappelijk verwachte (maar niet realistisch; 35-45% is realistischer) maximum pensioen van 70% van het laatst verdiende salaris uitkomt.

Om de kans op deze bovenmatigheid zo veel mogelijk in te perken heeft de staatssecretaris van Financiën het besluit beschikbarepremiestaffels genomen.

De Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt dat een aanvullend pensioen niet later ingaat, ingeval de dienstbetrekking eindigt op of na de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum, dan het tijdstip waarop de dienstbetrekking eindigt. De reden van dit doorwerkvereiste is dat zo niet langer belastinguitstel wordt verleend dan nodig en dat extra gebruik van sociale voorzieningen (bijvoorbeeld WW/WIA) in de periode voorafgaand aan pensioen wordt voorkomen. Dit heeft onder meer tot gevolg dat iemand die in 2013 op zijn 65e verjaardag stopt met werken zijn aanvullend pensioen niet tegelijk met zijn AOW-uitkering kan laten ingaan. De Pensioenfederatie ziet graag dat deze belemmering wordt weggenomen.[4] De Eerste Kamer heeft de regering hierom in een motie verzocht. Het kabinet geeft invulling aan deze motie door in een beleidsbesluit goed te keuren dat het tot en met maart 2015 mogelijk wordt het aanvullend pensioen, zonder dat doorgewerkt wordt, uit te stellen tot de in dat jaar geldende AOW-leeftijd (65 jaar en 3 maanden). Met deze maatregel worden onder meer de mensen die in 2013 de AOW-leeftijd bereiken in de gelegenheid gesteld het aanvullende pensioen uit te stellen tot de voor hen geldende AOW-leeftijd. Het kabinet acht een structurele aanpassing van het doorwerkvereiste niet nodig, omdat de pensioeningangsdatum in de regel vanaf 2014 aangepast zal zijn aan de verhoogde fiscale pensioenrichtleeftijd van 67 jaar. Onder de huidige regelgeving mag het pensioen in dat geval al uitgesteld worden tot de op dat moment gehanteerde pensioeningangsdatum.

Verder mag het pensioen niet later ingaan dan op 70-jarige leeftijd.

De Eerste Kamer heeft door middel van een motie de regering verzocht te bevorderen dat de beëindiging van rechtswege van een arbeidsovereenkomst niet plaatsvindt bij de AOW-leeftijd maar bij de pensioenrichtleeftijd (vanaf 1 januari 2014 67 jaar), om de opbouw van een volledig pensioen mogelijk te maken.

[bewerken] Alternatief

Door in tegenstelling met Luxemburg de pensioenpremies aftrekbaar te stellen in box 1 en de pensioenvermogens niet te belasten in box 3, is jaarlijks 24 miljard euro minder belasting verschuldigd.[5][6][7][8]

[bewerken] Externe links

Bronnen, noten en/of referenties



This article uses material from the Wikipedia article Witteveenkader, which is released under the Creative Commons Attribution-Share-Alike License 3.0.

Brief over verhoging pensioenpremie

3-2-2012

Alle werkgevers die zijn aangesloten bij Stichting Pensioenfonds Wonen ontvangen een brief over de premies.

In de brief leest u dat de premies in 2012 zijn verhoogd. Deze maatregel is nodig omdat Stichting Pensioenfonds Wonen last heeft van de economische crisis. Net als veel andere pensioenfondsen in Nederland.

Hier kunt u de brief aan de werkgevers direct lezen:

brief Premieaanpassing 2012.

Hoe staat het pensioenfonds er eind september 2011 voor?

7-10-2011

Het bestuur van Stichting Pensioenfonds Wonen houdt u graag op de hoogte van de stand van de dekkingsgraad. De dekkingsgraad is een aanwijzing voor de financiële gezondheid van het pensioenfonds. Eind september 2011 was de geschatte dekkingsgraad 91,3%.

Minimaal vereiste dekkingsgraad

De dekkingsgraad is de verhouding tussen het vermogen van het fonds en de pensioenen die het fonds nu en in de toekomst moet uitbetalen. De toezichthouder, de Nederlandsche Bank (DNB), heeft de minimaal vereiste dekkingsgraad voor Stichting Pensioenfonds Wonen vastgesteld op 109,1%.

Meer weten?

Meer over de dekkingsgraad en de financiële situatie van het pensioenfonds leest u bij financiële situatie.  

Veelgestelde vragen

Vragen over: AOW en ANW, Pensioenregeling, Hoe kom ik aan mijn pensioen? Uit dienst, Pensioendatum, Pensioen en overlijden, Pensioen en scheiding, Prepensioen en VUT, Bijzondere situaties, Kredietcrisis en pensioen.
Home

RABO en PPGM in PPI voor MKB

Rabo en PGGM (pensioenfonds) hebben aangekondigd samen een PPI te beginnen ten behoeve van het MKB. De beleggingen worden gedaan door Robeco. Een PPI is een pensioensinstelling die geen garanties mag geven en geen verzekeringen mag uitvoeren. De kosten zijn doorgaans lager dan de klassieke pensioenverzekeraars maar de risico’s zijn voor de deelnemers.
Pensioen.com

Z-score (financieel)

In de financiële wereld heeft de term Z-score twee betekenissen die afwijken van de betekenis die deze term in de statistiek heeft (zie Z-score).

[bewerken] Z-score bij een onderneming

In de eerste betekenis wordt een Z-score berekend om daarmee te voorspellen of een onderneming in financiële problemen zal gaan geraken. Voor een belegger, die overweegt om in een onderneming te beleggen, zou het uiteraard zeer interessant zijn om te weten of die onderneming (op termijn) failliet zal gaan. Deze formule is opgesteld door Edward I. Altman. In deze formule wordt rekening gehouden met zaken als: verhouding tussen winst en activa, verhouding tussen omzet en activa, verhouding tussen marktwaarde aandelen en boekwaarde schuld, verhouding ingehouden winsten en activa, en verhouding werkkapitaal en activa. Elk van deze ratio’s wordt van een “gewicht” voorzien, en de totalen worden opgeteld. Hoe hoger de totale score is, hoe kleiner de kans dat een onderneming in financiële moeilijkheden zal komen.

Altman ontwikkelde de formule in 1968. In deze periode werd het economisch landschap gedomineerd door industriële bedrijven, maar de Z-score blijkt ook goed te werken voor de dienstensector. Een score van 1,8 of minder wijst op een naderend faillissement, terwijl een score van 3 of meer op een gezonde onderneming duidt.

[bewerken] Z-score bij een pensioenfonds

De tweede betekenis wordt gehanteerd in de Nederlandse pensioenwereld. Nederlandse ondernemingen die geen eigen pensioenfonds hebben, kunnen vallen onder de verplichtgestelde aansluiting bij een pensioenfonds voor een bedrijfstak. Wanneer het pensioenfonds op beleggingsgebied in enig jaar onvoldoende presteert, bestaat er een mogelijkheid dat de verplicht aangesloten ondernemingen in het daarop volgende jaar onder voorwaarden vrijgesteld kunnen worden van de verplichting.

Om dit enigszins te objectiveren, is een formule ontworpen die eveneens bekendstaat als Z-score.

Hierbij wordt het rendement (de performance) van het pensioenfonds en het rendement van de benchmark vergeleken, en het verschil gedeeld door een factor die afhankelijk is van de samenstelling van het belegde vermogen (de verhouding obligaties/aandelen).

Per jaar leidt dit tot een Z-score. Vervolgens worden de Z-scores over een periode van 5 jaar opgeteld, en gedeeld door de wortel uit 5. Bij een Z-score van -1.28 (sinds 2008 dient er bij de score 1,28 opgeteld te worden om zo op een score van 0 uit te komen) of lager mag de onderneming besluiten, van pensioenfonds te wisselen.

Een rekenvoorbeeld:

  • 60% aandelen, 40% obligaties
  • rendement portefeuille 4,60%, werkelijke kosten 0,20%
  • rendement benchmark 4,45%

De risicopercentages zijn gefixeerd op 0,6% voor obligaties en 2,6% voor aandelen. Aan de benchmark wordt een gefixeerd percentage van 0,15% voor kosten toegekend.

De formule wordt dan:

[(4,60-0,20)-(4,45-0,15)] / [(60 x 2,6%)+(40 x 0,6%)]
(4,40-4,30) / (1,56+0,24)
0,10 / 1,80
0,056

Als, bij dezelfde verhouding aandelen/obligaties, in een volgend jaar de rendementen 5.10 en 5.30 waren voor respectievelijk de portefeuille en de benchmark, wordt de formule als volgt ingevuld:

[(5,10-0,20)-(5.30-0,15)] / 1,80
(4,90-5,15) / 1,80
-0,25 / 1.80
-0,139

Indien een pensioenfonds over 5 jaar Z-scores heeft van achtereenvolgens +0,16, +0,10, -0,35, -0,34 en +0,30, totaal -0,13, wordt dat gedeeld door 2,235, hetgeen leidt tot een eindcijfer van -0,058. Dit ligt boven -1,28, zodat de onderneming niet de mogelijkheid heeft om over te stappen.

Over de periode 1998-2002 bleken van 64 door de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen onderzochte pensioenfondsen 62 aan de toets te voldoen. (Bron m.b.t. dit laatste gegeven: website Abp.) Over de periode 1998-2003 bleken alle onderzochte pensioenfondsen aan de toets te voldoen. (Bron: VBA-Journaal 2002/2, p. 37 e.v.)



This article uses material from the Wikipedia article Z-score (financieel), which is released under the Creative Commons Attribution-Share-Alike License 3.0.