Witteveenkader

Prof. Witteveen nog in zijn rol als Minister van Financiën, 1964

Het Witteveenkader is in Nederland de begrenzing van de fiscale faciliëring van de pensioenopbouw. Het is ingevoerd met de Wet van 29 april 1999 houdende aanpassing van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Coördinatiewet Sociale Verzekering en in samenhang daarmee enige andere wetten naar aanleiding van de voorstellen van de werkgroep Fiscale behandeling pensioenen (Wet fiscale behandeling van pensioenen).[1] Het is genoemd naar professor Johan Witteveen, de voorzitter van de werkgroep die in 1995 de aanbevelingen heeft opgesteld op basis waarvan het wetsvoorstel is geformuleerd. [2] Het gaat voornamelijk om een aanvulling van de Wet op de loonbelasting 1964 waarbij de aftrekbaarheid van pensioenpremie wordt begrensd.

In het Witteveenkader zijn er 3 parameters:

  • de pensioenrichtleeftijd; deze is 65 jaar (vanaf 2014: 67 jaar)
  • de minimum-franchise
  • het jaarlijkse maximale opbouwpercentage: dit is 2% (vanaf 2014: 1,9%) voor eindloonregelingen en 2,25% (vanaf 2014: 2,15%) voor middelloonregelingen; volgens het Regeerakkoord 2012 worden de percentages die vanaf 2014 zouden gaan gelden verlaagd met 0,4 procentpunt, dus tot resp. 1,5% en 1,75%. Bovendien zal met het inkomen boven € 100.000 niet langer fiscaal gunstig pensioen (of lijfrente) kunnen worden opgebouwd.

De opbouw van de aanvullende oudedagsvoorziening wordt actief fiscaal begeleid. Het gaat daarbij om een geïntegreerde fiscale behandeling van de oudedagsvoorzieningen, waarbij de opbouw van deze voorzieningen in onderlinge samenhang aan één fiscaal maximum is verbonden.

Inhoud

[bewerken] Geschiedenis

In de Wet op de loonbelasting 1964 was weliswaar gedefinieerd wat onder pensioen moest worden verstaan, maar tijden veranderden en de arbeidsmobiliteit nam toe. Er werd steeds vaker van werkgever gewisseld en dat had consequenties voor het pensioen. Door de toenemende individualisering ontstond een groeiende behoefte aan flexibele arbeidsvoorwaarden, waardoor ook de pensioenregelingen moesten worden aangepast. Daarbij ontstond het gevaar van onduidelijkheid als gevolg van een verschillende interpretatie van maatschappelijke ontwikkelingen en opvattingen. De commissie heeft de grote mate van flexibiliteit in de pensioenregelingen beschreven, waarbij een deel van de arbeidsbeloning in – fiscaal toegestane – variaties kon worden gebruikt voor de opbouw van een oudedags- en nabestaandenpensioen.

[bewerken] 2011

Op 10 juni 2011 heeft minister Kamp met de sociale partners een overeenkomst gesloten, waarmee de voorbereiding is gedaan voor nieuwe wetgeving waarin de risico’s van de uitbetaling van de pensioenen – in strijd met het Witteveenkader – voornamelijk bij de werknemers zal worden ondergebracht.

Aanhangig is geweest in de Wetsvoorstel verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW een verlaging per 1 januari 2013 van de maximale opbouwpercentages van 2% naar 1,75% voor eindloonregelingen en van 2,25% naar 2% voor middelloonregelingen (deze percentages staan in artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964).

[bewerken] Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd

Naar aanleiding van het Begrotingsakkoord 2013 is aangenomen de Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met stapsgewijze verhoging en koppeling aan de stijging van de levensverwachting van de pensioenleeftijd (Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd).

Naast een stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd behelst deze wet wijzigingen in het Witteveenkader. De pensioenrichtleeftijd, nu 65 jaar, wordt in 2014 verhoogd naar 67 jaar. Vervolgens wordt deze pensioenrichtleeftijd op vergelijkbare wijze als de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Een verhoging van de pensioenrichtleeftijd vindt, anders dan bij de AOW-leeftijd, steeds plaats in stappen van een jaar, steeds 10 jaar voorafgaande aan het tijdstip waarvoor is geraamd dat de macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd weer met een jaar is gestegen.

Daarnaast worden de maximumopbouwpercentages voor middelloonregelingen en eindloonregelingen aangepast. Per 1 januari 2014 worden de maximale opbouwpercentages voor ouderdomspensioen verlaagd van 2% naar 1,9% voor eindloonregelingen en van 2,25% naar 2,15% voor middelloonregelingen. Het gaat daarbij om het opgebouwde pensioen plus een evenredig deel van de AOW-uitkering voor een gehuwde. Het toegestane opbouwpercentage bij het middelloonsysteem is hoger dan bij het eindloonsysteem omdat het gemiddeld tijdens de carrière genoten loon in het algemeen lager is dan het laatst genoten loon. Het gaat hier om de percentages op basis van aanvang van het pensioen op de pensioenrichtleeftijd.

Wijzigingen van de pensioenrichtleeftijd en het opbouwpercentage tijdens de opbouw van een pensioen gelden steeds voor de opbouw vanaf het moment van de wijziging. Het totaal van de opbouw op enig moment kan vereenvoudigd worden weergegeven door steeds de opbouw met betrekking tot een eerder gehanteerde pensioenrichtleeftijd actuarieel te herrekenen naar de nieuwe pensioenrichtleeftijd (de anderszins geldende regel dat indien en zodra het ouderdomspensioen 100% van het pensioengevend loon komt te bedragen het pensioen niet langer uitgesteld mag worden is hierbij niet van toepassing). Een pensioenuitvoerder kan besluiten tot collectieve actuarieel neutrale herrekening naar een hogere pensioenleeftijd, mits de betrokkene de pensioeningangsdatum individueel weer naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd terug kan zetten.[3]

Uiteindelijk wordt het pensioen dan herrekend naar de daadwerkelijke ingangsdatum van het pensioen (die eerder of later kan zijn). In geval van deeltijdpensioen wordt het resterende en nieuw opgebouwde pensioen herrekend naar de datum van het volledig met pensioen gaan, voor de berekening van de aanvulling vanaf dat moment.

Als bijvoorbeeld het pensioen aanvangt op 66-jarige leeftijd dan is effectief het daarop betrekking hebbende maximale opbouwpercentage voor middelloonregelingen in 2014 lager dan 2,15%.

Speciale aandacht verdient nog de fiscale behandeling van het beschikbarepremiesysteem.[bron?] Probleem bij dit systeem is namelijk dat het uiteindelijke pensioen dat kan worden aangekocht onbekend is. Meestal worden de ingelegde premies belegd in (deels) op aandelen gebaseerde fondsen, waardoor de opbrengsten onzeker zijn. Gevolg kan zijn dat er een pensioen kan worden aangekocht dat boven het maatschappelijk verwachte (maar niet realistisch; 35-45% is realistischer) maximum pensioen van 70% van het laatst verdiende salaris uitkomt.

Om de kans op deze bovenmatigheid zo veel mogelijk in te perken heeft de staatssecretaris van Financiën het besluit beschikbarepremiestaffels genomen.

De Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt dat een aanvullend pensioen niet later ingaat, ingeval de dienstbetrekking eindigt op of na de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum, dan het tijdstip waarop de dienstbetrekking eindigt. De reden van dit doorwerkvereiste is dat zo niet langer belastinguitstel wordt verleend dan nodig en dat extra gebruik van sociale voorzieningen (bijvoorbeeld WW/WIA) in de periode voorafgaand aan pensioen wordt voorkomen. Dit heeft onder meer tot gevolg dat iemand die in 2013 op zijn 65e verjaardag stopt met werken zijn aanvullend pensioen niet tegelijk met zijn AOW-uitkering kan laten ingaan. De Pensioenfederatie ziet graag dat deze belemmering wordt weggenomen.[4] De Eerste Kamer heeft de regering hierom in een motie verzocht. Het kabinet geeft invulling aan deze motie door in een beleidsbesluit goed te keuren dat het tot en met maart 2015 mogelijk wordt het aanvullend pensioen, zonder dat doorgewerkt wordt, uit te stellen tot de in dat jaar geldende AOW-leeftijd (65 jaar en 3 maanden). Met deze maatregel worden onder meer de mensen die in 2013 de AOW-leeftijd bereiken in de gelegenheid gesteld het aanvullende pensioen uit te stellen tot de voor hen geldende AOW-leeftijd. Het kabinet acht een structurele aanpassing van het doorwerkvereiste niet nodig, omdat de pensioeningangsdatum in de regel vanaf 2014 aangepast zal zijn aan de verhoogde fiscale pensioenrichtleeftijd van 67 jaar. Onder de huidige regelgeving mag het pensioen in dat geval al uitgesteld worden tot de op dat moment gehanteerde pensioeningangsdatum.

Verder mag het pensioen niet later ingaan dan op 70-jarige leeftijd.

De Eerste Kamer heeft door middel van een motie de regering verzocht te bevorderen dat de beëindiging van rechtswege van een arbeidsovereenkomst niet plaatsvindt bij de AOW-leeftijd maar bij de pensioenrichtleeftijd (vanaf 1 januari 2014 67 jaar), om de opbouw van een volledig pensioen mogelijk te maken.

[bewerken] Alternatief

Door in tegenstelling met Luxemburg de pensioenpremies aftrekbaar te stellen in box 1 en de pensioenvermogens niet te belasten in box 3, is jaarlijks 24 miljard euro minder belasting verschuldigd.[5][6][7][8]

[bewerken] Externe links

Bronnen, noten en/of referenties



This article uses material from the Wikipedia article Witteveenkader, which is released under the Creative Commons Attribution-Share-Alike License 3.0.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *